Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 april 2014
ECLI:NL:GHSHE:2014:1085
Y Grafische Projecten B.V. en Roto B.V./werknemers
(Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2013:5247.) Roto en Grafische Projecten maken deel uit van Roto S Groep N.V. (hierna RSG), een Grafimedia-onderneming. RSG is lid van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO), de ondernemingsvereniging voor werkgevers in de communicatie-industrie. Voor de werkmaatschappijen van RSG zijn verschillende ondernemingsraden ingesteld. Daarnaast beschikt RSG over een centrale ondernemingsraad (COR). In de (voor diverse perioden algemeen verbindend verklaarde) Grafimedia CAO 2010-2012 en 2012-2013 is bepaald dat per onderneming tussen werkgever en werknemers nadere afspraken worden gemaakt over de invulling van de in bepalingen van de in deze cao daartoe aangegeven onderwerpen. Dergelijke afspraken worden in deze cao aangeduid als decentrale afspraken. Indien meer dan vijftig werknemers in een onderdeel van de onderneming werkzaam zijn, wordt het overleg gevoerd met de ondernemingsraad. In een onderneming met meerdere ondernemingsraden kan krachtens de WOR een groepsondernemingsraad (GOR) of een centrale ondernemingsraad (COR) zijn ingesteld. Voorstellen in het kader van decentrale afspraken kunnen door de werkgever worden ingediend bij het hoogste orgaan van wettelijk vertegenwoordigend overleg krachtens de WOR, tenzij dit voorstel in overwegende mate betrekking heeft op werknemers die werkzaam zijn in een bedrijfsonderdeel/-delen, die door een lager orgaan van vertegenwoordigend overleg worden vertegenwoordigd. In 2011 besluit RSG de jubileumuitkering niet langer aan werknemers toe te kennen. Werknemers stellen zich op het standpunt dat sprake is van eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Roto en Grafische Projecten daarentegen zijn van mening dat het afschaffen van de jubileumuitkeringen past binnen de gelaagde structuur van de Grafimedia CAO. De afschaffing van de jubileumuitkeringen per 1 juni 2011 is op de in de cao voorgeschreven wijze en in overleg met de COR tot stand gekomen. Bovendien geven Roto en Grafische Projecten aan ervan overtuigd te zijn dat de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarde tevens de door de Hoge Raad geformuleerde toets en belangenafweging kan doorstaan. De kantonrechter heeft geoordeeld dat in de cao, waaraan de werknemers kennelijk zijn gebonden op grond van het onder artikel 1.4.6 lid 4 bepaalde, een wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW is opgenomen, doch dat RSG niet de op grond van de cao vereiste instemming had van de COR voor het afschaffen van de jubileumregeling. De RSG was daarom niet bevoegd om op grond van de door haar aan de wijziging ten grondslag gelegde cao-bepaling de jubileumuitkering eenzijdig af te schaffen, terwijl voor het overige niet van een wijzigingsbeding is gebleken. De vorderingen van de werknemers zijn toegewezen. Na het vonnis van de kantonrechter heeft RSG alsnog overeenstemming bereikt met de COR. In hoger beroep wordt opnieuw de vraag voorgelegd of de regeling thans wel voldoet aan artikel 7:613 BW.
Het hof oordeelt als volgt. Alle partijen gaan er in hoger beroep vanuit dat de cao een wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW bevat en dat de nieuwe regeling aldus moet worden getoetst. Het hof is echter voorshands van oordeel dat een dergelijke uitleg niet strookt met hetgeen daartoe in artikel 1.4.4 t/m 1.4.6 van de cao is bepaald, mede op grond van het volgende. De bij het sluiten van de cao betrokken partijen hebben, gelet op het bepaalde in artikel 1.4.4 lid 1 van de cao, de afspraak gemaakt dat decentraal, in een akkoord tussen de werkgever en de werknemers in een bepaalde onderneming, nadere invulling zal/kan worden gegeven aan bepalingen in de cao, waaronder blijkens de in artikel 1.4.4 lid 2 van de cao genoemde bedrijfseigen regelingen als bedoeld in artikel 1.2.4 van de cao. Niet in geschil is tussen partijen dat de jubileumuitkering een bedrijfseigen regeling is. In de cao is in artikel 1.4.4 lid 6 verder bepaald dat decentrale afspraken bindend zijn voor werkgever en werknemer indien zij tot stand zijn gekomen op de voorgeschreven wijze. Niet in geschil is tussen partijen dat de in de cao voorgeschreven procedure bij de nieuwe regeling inzake de jubileumuitkering is gevolgd. Dit betekent dat de nieuwe regeling als gebaseerd op en voortvloeiend uit de cao in de vorenbedoelde zin bindend is voor geïntimeerden. De in die cao vastgelegde regeling creëert aldus geen bevoegdheid voor de werkgever om eenzijdig arbeidsvoorwaarden te kunnen wijzigen, maar vormt een aanvulling op die cao en maakt daarvan aldus tevens onderdeel uit, in die zin dat de bij die cao betrokken onderhandelingspartners op het niveau van een onderneming hun bevoegdheid om over bepaalde onderwerpen nadere afspraken te maken overlaten aan de onder de werkingssfeer van de cao vallende onderneming enerzijds en de werknemersvertegenwoordiging in die onderneming anderzijds. Een toets van deze nadere (in de cao geoorloofde) afspraak tussen werkgever en werknemers op basis van artikel 7:613 BW is naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook niet aan de orde. Daarbij wordt opgemerkt dat de situatie in het door de kantonrechter genoemde arrest HR 18 maart 2011, JAR 2011/108 een andere was, aangezien in de, in die uitspraak aan de orde zijnde collectieve regeling, anders dan in de onderhavige zaak, geen sprake was van een vrijgelaten gebied waarin decentraal afspraken konden worden gemaakt, maar waarin het ging om een in de collectieve regeling opgenomen voorwaarde waaraan het in die regeling opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding diende te voldoen. Het hof gaat er bij dat oordeel van uit dat – nu niet anders is gesteld of gebleken – werknemers aan de bedoelde nieuwe regeling inzake de jubileumuitkering, die op de voorgeschreven wijze tot stand is gekomen, zijn gebonden. Dit betekent dat de vorderingen van werknemers alsnog afgewezen moeten worden.