Rechtspraak
Rechtbank Gelderland, 24 april 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:2719
Vereniging tot het verstrekken van basisonderwijs op reformatorische grondslag te Kootwijkerbroek/werknemer
Werknemer is sinds 1 augustus 2005 in dienst bij de Vereniging als directeur van de door de Vereniging geëxploiteerde basisschool te Kootwijkerbroek. Werknemer geeft leiding aan een zogeheten managementteam (hierna: MT). In november 2013 hebben leden van het MT bij leden van het bestuur van de Vereniging geklaagd over al te intieme omgang door een MT-lid met een vrouwelijke leerkracht. Naar aanleiding hiervan heeft de Vereniging een extern onderzoeksbureau een onderzoek laten uitvoeren. Op basis van de bevindingen van dat onderzoek zijn er vervolgonderzoeken ingesteld waaruit naar voren is gekomen dat de verhoudingen binnen het MT ernstig zijn verstoord en dat de directeur niet meer de positie heeft om dit te herstellen. Op 25 januari 2014 heeft de Vereniging de resultaten van de onderzoeken besproken met de directeur en hem medegedeeld dat hij na dit schooljaar moet stoppen als directeur van de school. Sinds 27 januari 2014 heeft werknemer geen werkzaamheden (als directeur) meer voor de Vereniging/de school verricht. Op 6 maart 2014 is werknemer geschorst. Thans verzoekt de Vereniging ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gesteld wordt dat werknemer onvoldoende heeft gefunctioneerd als directeur van de school en sprake is van falend leiderschap.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vraag of de Vereniging bij de beslissing om werknemer per 6 maart 2014 te schorsen/op non-actief te stellen op juiste wijze heeft gehandeld alsook of er wel voldoende grond voor dit besluit was, is in deze procedure niet aan de orde. Gelet op de gebeurtenissen sinds november 2013, is er geen basis meer voor een vruchtbare samenwerking. De arbeidsovereenkomst wordt derhalve ontbonden. Ten aanzien van de vergoeding wordt rekening gehouden met het recht op wachtgeld. Er zijn weliswaar verwijten te maken aan werknemer, maar daar staat tegenover dat de gang van zaken – na inschakeling van het externe onderzoekbureau – een eigen dynamiek had waarop werknemer in beperkte mate invloed had. Ten slotte geldt dat werknemer nimmer in staat is geweest zijn functioneren te verbeteren. Een vergoeding van € 50.000 (bruto) wordt in dit geval billijk en passend geacht.