Naar boven ↑

Rechtspraak

Verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie vormt grondslag voor intrekking en terugvordering WW-uitkering. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Appellant had tot 1 juli 2012 een dienstverband met een werkgever in de sector Overheid en Onderwijs. De werkgever is een eigenrisicodrager en heeft de uitvoering van de betaling van uitkeringen en de re-integratiebegeleiding uitbesteed aan Stichting Participatiefonds (PF). Aan appellant is per 1 juni 2012 een WW-uitkering toegekend.  Deze uitkering is met ingang van 7 september 2012 beëindigd, omdat appellant in de periode van 7 september tot en met 4 december in Suriname verbleef, anders dan wegens vakantie. UWV heeft een bedrag aan uitkering van € 6.838,28 teruggevorderd (besluit I) en een boete opgelegd van € 180 (besluit II). Appellant heeft bezwaar ingesteld tegen beide besluiten. Het bezwaar tegen besluit I wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit II gegrond. Het besluit is herroepen en de boete is verlaagd naar € 90. Ook de rechtbank heeft het beroep tegen besluit I ongegrond verklaard. UWV is volgens de rechtbank niet aan de door de beleidsmedewerker verschafte informatie en gedane toezeggingen gebonden. Uit brochures had appellant moeten afleiden dat UWV de aangewezen instantie is om te controleren of aan de verplichtingen voor het in aanmerking komen van een WW-uitkering is voldaan. De vraag die in hoger beroep ter discussie staat is of appellant, zoals door hem gesteld, op grond van de verwarring bij hem over de taakverdeling tussen UWV en de stichting PF en de toezeggingen door de beleidsmedewerker van de ex-werkgever, erop mocht vertrouwen dat hij in het buitenland kon verblijven met behoud van uitkering.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In onderhavige zaak komt de Raad tot het oordeel dat appellant ook voor zijn vertrek naar Suriname duidelijk kon zijn dat hij ten behoeve van de vaststelling van het recht op WW-uitkering, wijzigingen in zijn situatie – zoals het verblijf in het buitenland – moest doorgeven aan UWV. Bij twijfel had appellant met een gerichte vraag over het verblijf in het buitenland contact kunnen opnemen met UWV. Eventuele toezeggingen door de beleidsmedewerker van de (ex-)werkgever doen hier niet aan af, gelet op het feit dat het geen daartoe bevoegd persoon betreft. Ten aanzien van de opgelegde boete overweegt de Raad dat sprake is van zowel objectieve als subjectieve verwijtbaarheid. UWV heeft de hoogte beperkt tot de periode tot 23 oktober 2012 en heeft de boete vervolgens met 50% verlaagd omdat appellant zelf heeft gemeld dat hij in het buitenland verbleef. Het bedrag van de boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.