Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen schadevergoeding wegens het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie.

Appellante heeft zich, vanuit haar werk als ziekenverzorgende, met ingang van 3 september 2007 ziek gemeld. Vanaf begin 2009 tot 3 september 2009 heeft zij bij haar werkgeefster gere-integreerd in ander werk. Na afloop van de wachttijd, met ingang van 31 augustus 2009, is een uitkering op grond van de WIA geweigerd. Per 3 september 2009 is appellante niet meer op het werk toegelaten. Zij is op dat moment in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering en met ingang van 19 januari 2010 is appellante in dienst getreden bij een andere werkgeefster. De arbeidsovereenkomst met werkgeefster is met ingang van 10 december 2010 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan appellante.

Uit de Rapportage beoordeling re-integratieverslag van 28 september 20009 blijkt dat werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen jegens appellante heeft verricht. Appellante heeft wegens het onterecht niet opleggen van een loonsanctie UWV verzocht om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van €7.601,63. UWV heeft dat verzoek afgewezen omdat appellante, uitgaande van een vergoeding die is gebaseerd op 70% van het loon en gelet op haar salaris bij haar nieuwe werkgeefster en de ontvangen WW-uitkering, geen aan UWV toe te rekenen schade wegens het niet opleggen van de loonsanctie heeft geleden. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat werkgeefster volgens de cao verplicht zou zijn geweest 100% loon te betalen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van het overgangsrecht van de per 1 juli 2013 in werking getreden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2013. Niet in geding is dat UWV ten onrechte heeft nagelaten een loonsanctiebesluit te nemen wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van werkgeefster jegens appellante. Daarmee is de onrechtmatige daad en schadeplicht van UWV in beginsel gegeven (ECLI:NL:HR:1993:ZC1036, ECLI:NL:CRVB:1998:AA8776, ECLI:NL:CRVB:2015:500). In zijn uitspraken van 9 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4236 en ECLI:NL:CRVB:2015:4248) heeft de Raad, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, nader uiteengezet langs welke lijn verzoeken om vergoeding van schade ten gevolge van ten onrechte (niet) opgelegde of gehandhaafde loonsancties moeten worden beoordeeld. Voor zover hier van belang is daarbij overwogen dat sprake is van een rechtstreeks verband met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. De Raad komt tot het oordeel dat appellante op grond van de cao geen aanspraak op 100% salaris kon ontlenen, omdat zij na 3 september niet meer heeft gewerkt. Dat appellante door werkgever niet meer op het werk is toegelaten, leidt niet tot een ander oordeel. Appellante heeft geen beroep gedaan op de op grond van haar dienstverband ook na 3 september 2009 voortdurende verplichtingen van werkgeefster, voortvloeiend uit haar arbeidsovereenkomst. De Raad oordeelt dat het verzoek van appellante om schadevergoeding terecht door UWV is afgewezen.