Naar boven ↑

Rechtspraak

Intrekking en terugvordering WW-uitkering vanwege niet voldoen aan werknemersbegrip. Strekking van besluit waarin wordt medegedeeld dat geen recht bestaat op WW-uitkering behelst impliciet intrekking van eerdere besluit omtrent toekenning van WW-uitkering.

Op 24 oktober 2012 stelt UWV vast dat appellant vanaf 29 augustus 2012 recht heeft op een WW-uitkering (besluit I). Omdat appellant als directeur-grootaandeelhouder niet als werknemer in de zin van de WW kan worden beschouwd, stelt UWV 28 januari 2013 vast dat appellant met ingang van 29 augustus 2012 geen recht heeft op een WW-uitkering (besluit II). Naar aanleiding daarvan vordert UWV van appellant € 10.146,12 bruto aan ten onrechte betaalde WW-uitkering terug (besluit III). Het door appellant ingestelde bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Appellant stelt in hoger beroep dat hij pas tijdens de hoorzitting bekend is geworden met besluit II en dat UWV de WW-uitkering niet met terugwerkende kracht mag herzien.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In besluit II is niet expliciet opgenomen dat besluit I wordt ingetrokken, maar de strekking van besluit II is wel duidelijk, namelijk dat vanaf 29 augustus 2012 geen recht op een WW-uitkering bestaat. Impliciet behelst besluit II derhalve de intrekking van besluit I. Besluit II is derhalve een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en is gericht op rechtsgevolg. De gedingstukken steunen de stelling van appellant dat hij pas tijdens de hoorzitting kennis heeft genomen van besluit II niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat besluit II in rechte onaantastbaar is geworden en dat er geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.