Rechtspraak
In een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:385) oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het besluit van UWV geen WIA-uitkering toe te kennen aan appellant berust op een gebrekkige motivering. De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport met een niet overtuigende motivering is afgeweken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. UWV wordt opdracht gegeven dit gebrek te herstellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak stelt een verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op. Tevens zendt UWV een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in. Daaruit volgt dat UWV blijft bij het door hem eerder ingenomen standpunt, hetgeen erop neer komt dat aan appellant geen WIA-uitkering wordt toegekend. Appellant geeft te kennen dat hij het oneens blijft met UWV.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft terecht vastgesteld dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Anders dan in het verleden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2652) zal (ook) de Raad in een geval zoals dit, waarin een in een tussenuitspraak vastgesteld gebrek wordt hersteld met een nadere motivering die niet leidt tot wijzigingen in de bij het bestreden besluit tot stand gebrachte dan wel ontzegde rechtsgevolgen, geen toepassing meer geven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaraan ligt ten grondslag dat na de vaststelling in een tussenuitspraak dat sprake is van een gebrek, de bestuursrechter niet meer de ruimte behoort te hebben dat gebrek met een ongegrondverklaring van het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep te ‘passeren’. Dat betekent in het voorliggende geval dat – met vernietiging van de aangevallen uitspraak – het beroep gegrond wordt verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 lid 1 van de Awb en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.