Rechtspraak
UWV beëindigt bij besluit van 16 oktober 2013 de WW-uitkering van appellante met ingang van 1 april 2013, omdat appellante met ingang van die datum is gaan werken. Bij besluit van 5 november 2013 herziet UWV de WW-uitkering van appellante en vordert een bedrag van bruto € 17.251,70 aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 april 2013 tot en met 6 oktober 2013 van appellante terug. Bij een tweede besluit van 5 november 2013 legt UWV appellante een boete op van € 1.280. In beide besluiten staat onder het kopje Terugbetalen WW-uitkering: ‘U ontvangt van onze afdeling Invorderen binnenkort een brief over hoeveel u werkelijk moet terugbetalen. Daarin staat ook hoe u kunt betalen.’ Twee weken later ontvangt appellante twee brieven gedateerd op 18 en 19 november 2013 ten aanzien van de wijze van terugbetaling van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering en de wijze van betaling van de opgelegde boete. Appellante maakt bij brief van 28 december 2013 bezwaar tegen de brieven van 18 en 19 november 2013. Bij beslissing op bezwaar van 28 januari 2014 (bestreden besluit I) verklaart UWV het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk, omdat de brieven van 18 en 19 november 2013 volgens hem geen appellabele besluiten in de zin van de Awb zijn. UWV gaat er verder van uit dat de besluiten van 5 november 2013 in rechte onaantastbaar zijn, omdat daartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 6 mei 2014 (bestreden besluit II) herziet UWV bestreden besluit I en neemt het standpunt in dat de brieven van 18 en 19 november 2013 wel besluiten zijn omdat deze bepalen op welke wijze en binnen welke termijn appellante moet betalen. Omdat appellante tegen de wijze van invorderen geen gronden aanvoert, verklaart UWV het bezwaar van appellante ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Met de besluiten van 5 november 2013 tot herziening van appellantes WW-uitkering, terugvordering van wat onverschuldigd aan haar is betaald en oplegging van een boete zijn geldschulden ontstaan als bedoeld in artikel 4:85 lid 1 aanhef en onder b Awb. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:86 Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 32 t/m 34) volgt dat hiermee is beoogd voor de schuldenaar duidelijk te maken waarom hij een geldsom is verschuldigd en welk bedrag hij moet betalen binnen welke termijn. Hoofdregel is dat een verplichting tot betaling eerst ontstaat nadat een beschikking tot stand is gekomen waarin is vastgesteld hoe hoog de schuld precies is en binnen welke termijn betaald moet worden. Hieruit volgt dat de elementen die tezamen een betalingsverplichting doen ontstaan alle in één besluit moeten worden opgenomen. Omdat het werkelijk door appellante te betalen bedrag van de terugvordering en de termijnen waarbinnen betaling moet plaatsvinden van de terugvordering en de boete in die besluiten niet zijn vastgesteld, zijn met die besluiten geen betalingsverplichtingen voor appellante in het leven geroepen. Dat is eerst gebeurd met de brieven van 18 en 19 november 2013. In zoverre zijn die brieven gericht op rechtsgevolg en door UWV bij bestreden besluit II dus terecht alsnog aangemerkt als besluiten. Niet uit te sluiten is dat door deze wijze van besluitvorming van UWV, versterkt door de aankondiging van nadere brieven in de besluiten van 5 november 2013, bij appellante onduidelijkheid of verwarring is ontstaan over de vraag op welk moment zij bezwaar zou moeten maken tegen de herziening, terugvordering en boete. Uit een oogpunt van rechtsbescherming is niet aanvaardbaar dat appellante nadeel ondervindt van potentiële, door de wijze van besluitvorming van UWV ontstane onduidelijkheid of verwarring over haar rechtspositie. Dat appellante niet binnen de in de besluiten van 5 november 2013 genoemde termijnen van zes weken bezwaarschriften heeft ingediend tegen de in die besluiten vervatte herziening, terugvordering en boete kan haar daarom niet worden tegengeworpen. Het bezwaarschrift van 28 december 2013 had opgevat moeten worden als mede gericht tegen de besluiten van 5 november 2013 en had in zoverre ontvankelijk geacht moeten worden wegens verschoonbare termijnoverschrijding.