Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen sprake van persoonlijke omstandigheden op grond waarvan de verwijtbare werkloosheid niet in overwegende mate kan worden verweten. WW-uitkering is terecht blijvend geheel geweigerd.

Appellant is werkzaam als politiemedewerker. Naar aanleiding van een hypotheekfraudeonderzoek wordt op 6 juli 2011 een belastende verklaring over appellant afgelegd, inhoudende dat appellant een geldbedrag heeft betaald voor het opstellen van een valselijk opgemaakte salarisstrook ten behoeve van zijn vriendin. Op 19 juli 2011 wordt een strafrechtelijk onderzoek naar appellant ingesteld, waarna appellant enkele maanden later buiten functie wordt gesteld en vervolgens wordt geschorst. Op 13 april 2012 wordt aan appellant onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Appellant vraagt een WW-uitkering aan, waarvan UWV de uitkering blijvend geheel weigert. Het door appellant ingestelde bezwaar en beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat appellant teneinde een hypotheek over te kunnen sluiten gebruik heeft gemaakt van een – voor zijn toenmalige vriendin – valselijk opgemaakte werkgeversverklaring en salarisstrook. Het betoog van appellant dat hij te goeder trouw heeft gehandeld is ongeloofwaardig. De door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden, zoals zijn relatieproblemen, financiële problemen en psychische problemen, brengen niet met zich dat moet worden geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is. Ook de omstandigheid dat de valselijk opgemaakte stukken door appellant zijn gebruikt op een moment dat hij nog niet bij de politie werkzaam was, doet hier niet aan af. Aan appellant mogen, gelet op zijn functie bij de politie, meer dan gemiddelde eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Van de politieorganisatie kan, wanneer zij met dergelijke gedragingen en een ontkennende houding van een medewerker bekend wordt, in beginsel redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het hoger beroep richt zich alleen tegen het oordeel van de rechtbank over de persoonlijke omstandigheden van appellant. De overwegingen van de rechtbank hierover worden onderschreven. Het aan het ontslag ten grondslag gelegde feit, kort gezegd: valsheid in geschrift, is door appellant in hoger beroep niet gemotiveerd betwist. Gelet op de aard en ernst van dit feit kon van de politieorganisatie redelijkerwijs niet gevergd worden appellant in dienst te houden, ondanks de ingrijpende gevolgen van het ontslag voor appellant. Voor zover de summiere gronden van appellant erop neerkomen dat diens persoonlijke omstandigheden ook van invloed zouden moeten zijn op de mate van verwijtbaarheid wordt overwogen dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het ontslag niet in overwegende mate aan appellant kan worden verweten. UWV heeft terecht de uitkering blijven geheel geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.