Naar boven ↑

Rechtspraak

Bij de beoordeling of appellant recht heeft op ziekengeld moet beoordeeld worden of appellant naar objectieve maatstaven medisch gezien in staat is zijn arbeid te verrichten, en niet wat ‘beter’ zou zijn voor appellant.

Appellant werkt als assistent-filiaalhouder op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zijn arbeidsovereenkomst wordt niet verlengd, en hij ontvangt op 5 december 2011 een WW-uitkering. Op 15 oktober 2012 meldt appellant zich ziek met psychische klachten. In het rapport van 6 december 2012 stelt de bedrijfsarts vast dat appellant lijdt aan PTSS en dat een behandeltraject door appellant werd afgebroken omdat hij werk kreeg. Vanwege het niet verlengen van zijn contract is appellant zeer teleurgesteld en ondervindt hij psychische klachten, slaapproblemen, paniekaanvallen, spanningsklachten en wisselende stemmingen, waardoor hij zich heeft ziek gemeld. Appellant wordt geadviseerd het behandeltraject af te maken en zichzelf rust te gunnen met betrekking tot sollicitaties. Op 25 juni 2013 stelt de bedrijfsarts vast dat appellant teleurgesteld is in het behandeltraject en wanhopig ieder werk probeert aan te grijpen dat tot een vaste baan zou kunnen leiden. De bedrijfsarts oordeelt dat appellant spanningskrachten ervaart ten gevolge van de onzekere arbeidstoekomst, maar dat appellant niet langer arbeidsongeschikt is voor zijn laatste werk. Met ingang van 3 juli 2013 heeft appellant daarom geen recht meer op een ZW-uitkering. Op 11 juni 2013 meldt appellant zich opnieuw ziek. De bedrijfsarts oordeelt dat er geen evidente toename van klachten bestaat en dat appellant geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant wordt ongegrond verklaard. In beroep overlegt appellant een rapport van verzekeringsarts Van der Eijk, waarin bij appellant een depressieve stoornis wordt vastgesteld. Van der Eijk oordeelt dat de bedrijfsarts de ernst van de psychische problematiek ernstig heeft onderschat en dat appellant ten onrechte per 11 juni 2013 arbeidsgeschikt is verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep deelt de conclusie van Van der Eijk niet en stelt dat appellant ten tijde van zijn beoordeling en ten tijde van de beoordeling van de bedrijfsarts niet arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid. De rechtbank verklaart het beroep van appellant gegrond, maar stelt vervolgens vast dat appellant met ingang van 30 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellant richt zijn hoger beroep uitsluitend tegen laatstgenoemde vaststelling.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Verzekeringsartsen zijn, samen met bedrijfsartsen, bij uitstek deskundig in het vaststellen van de belastbaarheid van een verzekerde in het kader van de ZW. De visie van de bedrijfsarts dat arbeid de gezondheidssituatie van appellant goed zal doen, kan zonder meer worden onderschreven. Voor de beoordeling van de vraag of appellant op 30 juli 2013 in staat was zijn werk als assistent-filiaalhouder te verrichten is een dergelijke visie echter niet van belang. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dat ten onrechte niet onderkend. Bij de te beantwoorden vraag gaat het er niet om wat ‘beter’ zal zijn voor appellant. Beoordeeld moet worden of appellant naar objectieve maatstaven medisch gezien in staat is zijn arbeid te verrichten. Bij zijn beoordeling of appellant al dan niet aanspraak kan maken op ziekengeld heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook een onjuiste maatstaf gehanteerd door te beoordelen of het maatgevende werk gecontraïndiceerd is. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en bepaalt dat appellant ook vanaf 30 juli 2013 recht heeft op ziekengeld. UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.