Naar boven ↑

Rechtspraak

De functionele mogelijkheden van de werknemer zijn door de bedrijfsarts verkeerd ingeschat. Het niet starten van het tweede spoor leidt tot een loonsanctie.

Werknemer is als operator stansmachine in dienst van appellante in een arbeidsomvang van 36 uur per week, als hij per 29 juli 2010 uitvalt wegens rugklachten. In het kader van de re-integratie-activiteiten wordt op 10 juni 2011 een WSW-indicatie aangevraagd, wat leidt tot een positief indicatiebesluit van 22 juli 2011. Op verzoek van appellante is op 13 januari 2012 een deskundigenoordeel gegeven, waarin is vermeld dat de re-integratie-inspanningen van appellante tot dan toe voldoende waren. In dat rapport is vermeld dat de door de bedrijfsarts op 4 februari 2011 vastgestelde belastbaarheid bij het gegeven oordeel als uitgangspunt is gehanteerd en dat geen uitspraak wordt gedaan over de plausibiliteit van de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid. Beoordeling van de re-integratie-inspanningen van appellante door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van UWV leidt tot het opleggen van een loonsanctie. Het bezwaar en beroep van appellante worden ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt appellante  opnieuw dat zij voldoende heeft gedaan om werknemer te re-integreren. Verder meent zij dat zij mocht vertrouwen op het deskundigenoordeel dat de inspanningen tot dan voldoende waren geweest. Zij had niet kunnen begrijpen dat de door de bedrijfsarts gehanteerde uitgangspunten uitdrukkelijk niet mede zijn beoordeeld of bevestigd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat werknemer bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in arbeid had hervat. UWV heeft dan ook terecht de re-integratie-inspanningen beoordeeld. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de functionele mogelijkheden niet juist zijn ingeschat en dat vanaf 1 januari 2012 de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geldt zoals door de verzekeringsarts is ingevuld. De verzekeringsarts heeft een urenbeperking van twee uur per dag vanuit re-integratie-oogpunt verdedigbaar geacht, ook tijdens de revalidatiebehandeling van werknemer, maar niet na afloop daarvan. Ook het door de bedrijfsarts vermelde vertraagd handelingstempo is door de verzekeringsarts niet overgenomen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op basis van het verzekeringsgeneeskundig rapport en de opgemaakte FML geconcludeerd dat het standpunt dat er in spoor 1 geen mogelijkheden voor werknemer waren kan worden gehandhaafd, maar dat de conclusie dat er geen mogelijkheden zijn binnen spoor 2 op de reguliere arbeidsmarkt evident onjuist is zodat ten onrechte alleen activiteiten richting WSW-arbeid zijn ondernomen. Er wordt van het deskundigenoordeel van 13 januari 2012 afgeweken nu blijkt dat de functionele mogelijkheden door de bedrijfsarts onjuist zijn ingeschat.

Nu de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de door de bedrijfsarts gestelde urenbeperking tot het einde van de revalidatiebehandeling – volgens nadere gegevens: 27 januari 2012 – te rechtvaardigen was, en de verzekeringsarts pas met ingang van januari 2012 een afwijkende FML van toepassing heeft geacht, ligt ter beoordeling voor of appellante vanaf eind januari 2012 is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen. Weliswaar is appellante zich gedurende de gehele wachttijd blijven inspannen om werknemer in haar bedrijf enige werkzaamheden te laten doen, maar dat kan niet rechtvaardigen dat na eind januari 2012, toen er nog vijf maanden waren te gaan tijdens de wachttijd, geen re-integratie-inspanningen in spoor 2 hebben plaatsgevonden die verder strekken dan alleen een paar contacten richting WSW-arbeid. Dat appellante is afgegaan op de adviezen van de bedrijfsarts en het re-integratiebureau levert geen deugdelijke grond op voor de tekortkomingen in de re-integratie. Uit rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3713) blijkt dat UWV er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever is gelegen.