Naar boven ↑

Rechtspraak

Een werkgever mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel. Een eventueel voorbehoud van een arbeidsdeskundige met betrekking tot een andere medische inschatting van de beperkingen van de werknemer moet expliciet worden verwoord.

Op 2 maart 2011 valt werknemer ten gevolge van gegeneraliseerde artroseklachten uit voor zijn werk als medewerker groen en infra voor 32 uur per week bij betrokkene. Op 26 november 2012 vraagt werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan. Bij besluit van 23 januari 2013 wordt het tijdvak waarin werknemer jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 26 februari 2014. Het bezwaar tegen dit besluit wordt ongegrond verklaard. De rechtbank verklaart het beroep van betrokkene gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 23 januari 2013. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte een loonsanctie aan betrokkene opgelegd omdat betrokkene een deugdelijke grond heeft gegeven voor de wijze waarop zij de werknemer heeft gere-integreerd. De rechtbank wijst daartoe onder meer op een deskundigenoordeel van 26 april 2012, waarin een arbeidsdeskundige op basis van rapporten van de bedrijfsarts de verrichte re-integratie-inspanningen voldoende heeft geacht, een rapport van een arbeidsdeskundige van 28 december 2012 en een sociaal-medisch advies van 23 augustus 2013, waarin wordt uitgegaan van een maximale belastbaarheid van werknemer van zestien uur per week. In hoger beroep heeft UWV (samengevat) aangevoerd dat betrokkene, door werknemer voor niet meer dan zestien uur per week te herplaatsen in andere (passende) werkzaamheden, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft volgens UWV niet onderkend dat bij het deskundigenoordeel de bevindingen van de bedrijfsarts niet zijn getoetst.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Een werkgever mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:2429). De vermelding in het arbeidskundig rapport van 25 april 2012 – dat ten grondslag ligt aan het deskundigenoordeel van 26 april 2012 – onder het kopje ‘Gegevens m.b.t. de belastbaarheid van werknemer’ en het subkopje ‘Visie van de werkgever’ dat betrokkene ervan op de hoogte is dat het huidige oordeel gebaseerd wordt op de door de bedrijfsarts van werkgever vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid, is niet aan te merken als een duidelijk voorbehoud bij de juistheid van de tot uitgangspunt genomen medische gegevens. Indien de arbeidsdeskundige tot uitdrukking had willen brengen dat betrokkene, ondanks het gegeven oordeel over de re-integratie-inspanningen voorafgaand aan het deskundigenoordeel, er rekening mee moest houden dat haar inspanningen bij een latere beoordeling, uitgaande van een andere medische inschatting van de beperkingen van werknemer, alsnog onvoldoende bevonden zouden kunnen worden, had hij daarvoor andere en meer expliciete bewoordingen moeten gebruiken (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2015:3002). Betrokkene heeft in het kader van de aanvraag van het deskundigenoordeel een bijlage met medische bevindingen ingebracht. Daaruit bleek dat bij werknemer sprake was van forse degeneratieve afwijkingen, op grond waarvan de bedrijfsarts halve dagen werken als het maximaal haalbare voor werknemer had vastgesteld. Een verbetering van de gezondheidstoestand van werknemer was niet te verwachten. Van zo’n verbetering of een wijziging van de omstandigheden op grond waarvan betrokkene alsnog een andere weg had moeten inslaan bij de re-integratie dan wel er op bedacht had moeten zijn dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, is niet gebleken. Daarbij komt ook betekenis toe aan het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 december 2012, dat zich bij de gedingstukken bevindt. Uit dit rapport blijkt dat de arbeidsdeskundige, die tot taak had re-integratie-inspanningen van betrokkene te beoordelen, overleg heeft gevoerd met een verzekeringsarts over de belastbaarheid van werknemer. Over de door de bedrijfsarts van betrokkene beschreven functionele mogelijkheden in rapporten van 29 april 2011 en 5 november 2012 heeft deze verzekeringsarts telefonisch met de bedrijfsarts gesproken. Zij heeft vervolgens als haar opvatting aan de arbeidsdeskundige gegeven dat de aangenomen belastbaarheid – met een urenbeperking van gemiddeld ongeveer vier uur per dag en vier dagen per week – plausibel wordt geacht. Mede gelet op dit rapport kan niet worden volgehouden dat betrokkene door na het ontvangen deskundigenoordeel de omvang van de werkzaamheden van werknemer te handhaven op het door de bedrijfsarts geadviseerde niveau in haar re-integratie-inspanningen is tekortgeschoten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.