Naar boven ↑

Rechtspraak

Onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat UWV niet voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom het voor het vaststellen van de ingangsdatum van de IVA-uitkering is uitgegaan van de datum van het verzoek om een herbeoordeling.

Appellant valt op 15 juni 2009 uit voor zijn werk als verzorgende wegens rug- en knieklachten en vaatproblemen aan de benen. UWV stelt vast dat voor appellant met ingang van 13 juni 2011 een recht is ontstaan op een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 74,20%. Op 24 januari 2014 verzoekt appellant UWV om een herbeoordeling wegens toegenomen beperkingen. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelt UWV bij besluit van 27 februari 2014 vast dat appellant met ingang van 24 januari 2014 op grond van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering. Appellant stelt zich op het standpunt dat de aan hem toegekende IVA-uitkering eerder dient in te gaan dan 24 januari 2014. Nadat het bezwaar en het beroep ongegrond zijn verklaard, stelt hij in hoger beroep dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering wel erg arbitrair is en dat er zeker eerdere momenten te duiden zijn waarop volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid aan de orde is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Naar aanleiding van het verzoek van appellant heeft de verzekeringsarts dossieronderzoek verricht en appellant op het spreekuur van 11 februari 2014 onderzocht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sprake is van (deels toegenomen) verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte en/of gebreken. Hierdoor is appellant per 24 januari 2014 (datum verzoek) aangewezen op werkzaamheden overeenkomstig de FML van 13 februari 2014. Deze FML vertoont sterke overeenkomsten met de FML van 29 juni 2011. Uit dit oordeel blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de verslechtering nog viel binnen de bandbreedte van de eerder vastgestelde beperkingen. Daarom is geen plausibele eerdere ingangsdatum van de toegenomen beperkingen aan te wijzen. Mocht appellant van mening zijn geweest eerder in een verslechterde toestand te verkeren, dan had hij volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep immers eerder een herbeoordeling kunnen aanvragen.

Uitgaande van de FML van 13 februari 2014 heeft de arbeidsdeskundige vervolgens op 17 februari 2014 het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en is tot de conclusie gekomen dat op dat moment onvoldoende functies in gangbare arbeid voor appellant te duiden zijn om een schatting op te baseren. In het licht van het vorenstaande wordt tevens in aanmerking genomen dat het niet onaannemelijk is dat raadpleging van het CBBS op grond van een min of meer gelijkluidende FML op verschillende momenten, (licht) afwijkende uitkomsten kan geven. Dit is inherent aan het systeem van het CBBS. Overigens volgt hieruit niet dat UWV om die reden gehouden is om op regelmatige basis het CBBS te raadplegen, ten einde te beoordelen of de verdiencapaciteit daardoor zou wijzigen.

Appellant heeft in zijn verzoek om een herbeoordeling geen ingangsdatum genoemd. Evenmin heeft hij nadere medische informatie overgelegd op grond waarvan UWV gehouden was om de IVA-uitkering eerder in te laten gaan. Er bestaan daarom onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat UWV niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd heeft waarom is uitgegaan van 24 januari 2014, namelijk de datum van het verzoek om een herbeoordeling, als ingangsdatum van de IVA-uitkering.