Rechtspraak
Bij besluit van 23 december 2011 heeft UWV bepaald dat appellant vanaf 21 februari 2012 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de WIA. Ondanks de vastgestelde klachten wordt appellant in staat geacht te werken in hem voorgehouden voorbeeldfuncties. UWV heeft het bezwaar tegen dit besluit door appellant ongegrond verklaard. Vanuit de situatie dat appellant vervolgens een WW-uitkering ontving, heeft hij zich op 7 januari 2013 ziek gemeld wegens toegenomen depressieve klachten, rugklachten en longklachten en is aan hem een ZW-uitkering toegekend. Na een bezoek aan de verzekeringsarts is appellant per 12 juli 2013 in staat geacht om zijn arbeid te verrichten en is de ZW-uitkering beëindigd. Het bezwaar tegen dit besluit heeft UWV ongegrond verklaard. Appellant stelt beroep in bij de rechtbank. De rechtbank overweegt dat het onderzoek van de verzekeringsarts niet onzorgvuldig en onvolledig is geweest. UWV heeft op goede gronden besloten dat appellant in staat kon worden geacht om per 12 juli 2013 een van de door de arbeidsdeskundige in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat een van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies passend zou zijn. Er is volgens hem onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische gesteldheid en de uitspraak is ondeugdelijk en onzorgvuldig. UWV vraagt bevestiging van de aangevallen uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het recht op ziekengeld dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 19 ZW. Op grond van de vaste rechtspraak wordt onder 'zijn arbeid' verstaan de voor de ziekmelding laatstelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde, na gedurende een maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt de gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Het is voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de toen geselecteerde functies. Ook ziet de Centrale Raad van Beroep geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met de aangenomen extra beperkingen moet appellant in staat worden geacht om meer dan één van de geselecteerde functies te kunnen vervullen. Er zijn geen aanwijzingen voor het aannemen van een andere psychische toestand dan bij de WIA-beoordeling. Het hoger beroep slaagt niet.