Naar boven ↑

Rechtspraak

De medische belastbaarheid van appellant wordt beoordeeld aan de hand van geobjectiveerde medische aandoeningen. In dit geval kan de door de appellant geclaimde ernstige pijn niet worden verklaard door de aanwezige medische afwijking.

Appellant is werkzaam geweest als chauffeur/belader voor 40 uur per week. Hij heeft zich ziek gemeld vanuit een WW-situatie met klachten aan zijn rechterschouder en rug. Op 5 augustus 2013 heeft appellant de bedrijfsarts bezocht. Deze arts heeft appellant per 27 november 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van chauffeur/belader. UWV heeft geoordeeld dat appellant per 27 november 2013 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt, dit is ongegrond verklaard. Hierna heeft appellant tevergeefs beroep ingesteld bij de rechtbank. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd een groot lipoom tussen zijn borstspieren te hebben, waardoor hij pijn aan arm en schouder ervaart. Deze klachten zijn onvoldoende serieus genomen door de artsen van UWV, aldus appellant.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat in geding is of de lipoom aanleiding moet geven tot het aannemen van zodanige beperkingen dat appellant niet in staat is tot het verrichten van werk als chauffeur/belader. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectiveerbare medische aandoeningen. Onderzoek door middel van echo's en röntgen hebben geen duidelijke afwijking laten zien, die een verklaring konden bieden voor de door appellant geuite hevige pijnen. De geuite pijnklachten zijn niet te verklaren door de aanwezigheid van de lipoom. Er is sprake van een niet te verklaren discrepantie tussen de ernst van de ervaren klachten en de geobjectiveerde afwijkingen. De Centrale Raad van Beroep laat het oordeel van de rechtbank in stand.