Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft terecht aan appellante een loonsanctie opgelegd wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen. Onjuist advies van bedrijfsarts komt voor rekening van appellante.

Werknemer Y is in dienst van appellante als inpakker. Daarnaast verricht werknemer Y werkzaamheden voor een andere werkgever. Op 30 september 2010 valt werknemer Y uit voor zijn werkzaamheden bij appellante wegens hoofdpijn, nekpijn en schouderklachten als gevolg van een auto-ongeval. In het kader van de aanvraag van werknemer Y voor een WIA-uitkering legt UWV aan appellante een loonsanctie voor de duur van 52 weken op, wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. Appellante maakt bezwaar tegen het opleggen van de loonsanctie. Zij is van mening dat zij op grond van wat over de medische toestand van werknemer bekend is geworden terecht geen re-integratie-inspanningen heeft verricht. Appellante stelt dat niet alleen haar eigen bedrijfsarts, maar ook de arbodienst van de andere werkgever van werknemer Y heeft geconcludeerd dat werknemer Y bijna geen benutbare mogelijkheden heeft. Daarnaast wijst appellante op specialistische gegevens, waaruit volgens haar blijkt dat sprake was van een complexe situatie en het ontbreken van goede behandelmogelijkheden. UWV verklaart het bezwaar van appellante ongegrond, waarop appellante beroep instelt. Ook de rechtbank verklaart het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voert appellante nog aan dat de door UWV aangenomen volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer Y na afloop van de loonsanctie een aanwijzing is dat haar ten onrechte wordt verweten zonder deugdelijke grond geen re-integratie-inspanningen te hebben verricht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport vermeld dat de aanpak van de bedrijfsarts expectatief en klachtencontingent is geweest. De bedrijfsarts heeft gedurende de gehele ziekteperiode afgewacht of de curatieve sector iets voor werknemer Y zou kunnen betekenen. Het is echter vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3713) dat een werkgever verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen, omdat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever ligt. In het geval van appellante betekent dit dat het voor haar risico is als de bedrijfsarts geen juist beeld van de re-integratiemogelijkheden van werknemer Y heeft gehad waardoor geen juiste adviezen zijn gegeven.

Uit de specialistische gegevens waar appellante op heeft gewezen, waaronder meerdere rapporten van de GGZ, blijkt dat sprake was van belemmering van behandelmogelijkheden. Uit belemmeringen in behandelmogelijkheden volgt evenwel nog niet dat de gezondheidssituatie van werknemer Y zodanig slecht was dat appellante van hem in het geheel geen re-integratie-activiteiten heeft kunnen verlangen. Ook uit het rapport van de arbodienst van de andere werkgever valt af te leiden dat geen sprake was van een situatie waarin werknemer Y geen benutbare mogelijkheden had. Dat aan het slot van dat rapport is geconcludeerd dat vanuit de visie van de bedrijfsarts en de door haar opgestelde FML er voor werknemer Y geen benutbare mogelijkheden in arbeid waren, kan zonder nadere motivering niet uit de beschreven belastbaarheid worden afgeleid. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgt bovendien dat niet uitgesloten is dat re-integratiekansen zijn gemist als gevolg van de niet terechte aanname dat er voor werknemer Y geen enkele mogelijkheid tot herintreden in het arbeidsproces was. Van appellante had zodoende ten minste enige voorbereiding voor de herintreding van werknemer Y mogen worden verwacht.

Tot slot wordt appellante niet gevolgd in haar betoog dat de voor de WIA-uitkering aangenomen volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer Y een aanwijzing is dat haar ten onrechte wordt verweten dat zij geen re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het is namelijk eveneens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5838) dat aan de vaststelling dat een werknemer na afloop van de loonsanctie volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen, niet de conclusie kan worden verbonden dat er dan ook voor de werkgever geen mogelijkheden hebben bestaan om samen met werknemer re-integratie-inspanningen te verrichten. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.