Rechtspraak
Appellant ontvangt een WW-uitkering en heeft zich op 25 februari 2013, met terugwerkende kracht per 24 augustus 2012 ziek gemeld bij UWV. Bij besluit van 25 maart 2013 heeft UWV appellant met ingang van 21 januari 2012 een voorschot op een ZW- uitkering toegekend, met de mededeling dat het voorschot terugbetaald moet worden als appellant geen recht heeft op een ZW-uitkering. Bij besluit van 17 mei 2013 heeft UWV bepaald dat appellant geen recht heeft op een ZW- uitkering en bij besluit van 31 mei 2013 dat het bedrag van € 5.881,15, dat als voorschot is betaald, teruggevorderd wordt. Het bezwaar van appellant slaagt niet. Appellant gaat in beroep. De rechtbank stelt voorop dat UWV op grond van artikel 33 ZW gehouden is de betaalde voorschotten terug te vorderen. De rechtbank wijst er daarbij op dat volgens vaste rechtspraak dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële en sociale consequenties die een terugvordering van betrokkene heeft. De rechtbank is niet gebleken dat in het geval van appellant de terugvordering dergelijke onaanvaardbare gevolgen heeft. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat UWV bij besluit van 26 juli 2013 de invordering op nihil heeft gesteld wegens het ontbreken van terugbetalingsmogelijkheden. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat UWV zelf het restitutierisico heeft veroorzaakt door niet voortvarend te handelen. Dit had voor UWV aanleiding moeten zijn om van de ZW-voorschotten af te zien. Appellant stelt tevens dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële en sociale consequenties heeft.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, aangezien appellant in essentie dezelfde gronden tegen de terugvordering heeft aangevoerd als in beroep. De door appellant in hoger beroep aangevoerde psychische klachten vormen geen aanknopingspunt om een dringende reden aan te nemen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien, aldus de Raad. UWV heeft terecht besloten om tot terugvordering over te gaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank.