Naar boven ↑

Rechtspraak

Er is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het betreft een door betrokkenen, of door een van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste een van hen als bestendig is bedoeld.

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft UWV in verband met een terugvordering in het kader van de WW en de ZW de aflossingscapaciteit van appellant na een inkomens- en vermogensonderzoek vastgesteld op  € 213,83 per maand. Appellant heeft tevergeefs bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook het beroep wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit rekening wordt gehouden met de belastingvrije voet zoals bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e Rv. Gelet op het bepaalde in artikel 475d lid 4 Rv moet tussen appellant en zijn ex-echtgenote ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding worden aangenomen, nu zij in één woning woonachtig waren. UWV heeft dus terecht bij de aflossingscapaciteit rekening gehouden met het inkomen van de ex-echtgenote, aldus de rechtbank. Appellant stelt hoger beroep in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of UWV bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit het inkomen van de ex-echtgenote van appellant heeft mogen betrekken. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is voor de beoordeling van de aflossingscapaciteit hier niet aan de orde of appellant en zijn ex-echtgenote ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding voerden. Het is daarentegen van belang of appellant, hoewel hij nog gehuwd was, als ongehuwd moet worden aangemerkt conform het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b van de WWB. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 29 juni 2015, ECLI:CRVB:2015:2111) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het betreft een door betrokkenen, of door een van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste een van hen als bestendig is bedoeld. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn ex-echtgenote. Hij woonde nog steeds met zijn ex-echtgenote en zijn kinderen in dezelfde woning. Dat deze situatie is ingegeven door de hulpbehoevendheid van zijn ex-echtgenote in verband met zorg voor hun kinderen maakt het niet anders, aldus de Raad. UWV heeft daarom terecht appellant als gehuwd aangemerkt en zijn aflossingscapaciteit aan de hand daarvan bepaald. Het standpunt van appellant dat het inkomen van zijn echtgenote vanaf het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding niet in aanmerking mag worden genomen (art. 1:99 BW) wordt niet gevolgd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.