Rechtspraak
Appellant is in 1984 ziek geworden. Na lang procederen heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat appellant met terugwerkende kracht vanaf 1984 recht heeft gehad op een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In 2004 heeft UWV vervolgens dit recht vastgesteld en tevens vastgesteld dat appellant recht had op een nabetaling van een AAW/WAO-uitkering van € 163.409,06, alsmede op vergoeding van wettelijke rente ten bedrage van € 132.362,17. Appellant heeft daarna tevergeefs rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit (zie ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1288). Wel heeft de Raad appellant een schadevergoeding van € 19.000 toegekend wegens het overschrijden van de redelijke termijn (zie ECLI:NL:CRVB:2010:BL8585). Eind april 2013 verzoekt appellant UWV zijn immateriële schade te vergoeden. UWV wijst dit verzoek af en appellant maakt hiertegen bezwaar. UWV verklaart het bezwaar van appellant ongegrond, waardoor appellant in beroep bij de rechtbank gaat.
De rechtbank verklaart het beroep van appellant ongegrond en wijst zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade af. De rechtbank heeft het verzoek van appellant aldus begrepen dat hij schadevergoeding vordert wegens geestelijk lijden als gevolg van het feit dat pas na jaren procederen is gebleken dat UWV ten onrechte heeft geweigerd hem een AAW/WAO-uitkering te verstrekken. Het gestelde geestelijk lijden is daarbij tweeledig. Appellant lijdt enerzijds door de lange procedure en het herhaaldelijk afwijzen van zijn verzoek. Appellant heeft anderzijds als gevolg van de hele situatie een pensioengat en lijdt als gevolg daarvan door gebrekkige materiële mogelijkheden. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2007:BB9596 en ECLI:NL:CRVB:2010:BN5121) en overweegt dat voor de vraag of naast de toepassing van artikel 6 EVRM nog immateriële schade kan worden toegewezen zo veel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht en in het bijzonder artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106 BW moet worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig gebleken besluit. Betrokkene dient aan te tonen dat hij meer dan normale psychische spanningen heeft ondervonden. De rechtbank acht aannemelijk dat bij appellant gevoelens van psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen zijn ontstaan naar aanleiding van de onterechte weigeringen van UWV hem een AAW/WAO-uitkering toe te kennen en de jarenlange procedures die appellant hierover heeft gevoerd. Appellant is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig heeft geleden onder de besluiten van UWV dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW, nu appellant geen medische stukken heeft ingebracht en niet heeft aangetoond dat de gestelde psychische schade een direct gevolg is van de besluiten van UWV. Tegen de uitspraak van de rechtbank gaat appellant in hoger beroep. Hij handhaaft zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade en voegt aan zijn eerdere standpunten nog toe dat zijn psychiater in 2003 is overleden dat hij daarom geen rapport meer kan maken over de klachten van appellant tijdens de procedures met UWV. Appellant verzoekt de Raad daarom een onafhankelijk psychiatrisch rapport samen te stellen alvorens een beslissing te nemen. Daarnaast verzoekt appellant de Raad om vergoeding van immateriële schade in verband met gemiste pensioenrechten, nu hij vanwege de duur van de procedure en de schuld van UWV geen aanspraak heeft kunnen maken op premievrij pensioen bij zijn pensionering in 2009.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die hiertoe hebben geleid worden door de Raad onderschreven. In aanvulling hierop wordt nog als volgt overwogen. UWV en de rechtbank hebben het verzoek van appellant terecht opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade en niet (tevens) als een verzoek om vergoeding van materiële schade in de vorm van gederfde pensioeninkomsten. Appellant heeft deze lezing van zijn verzoek ter zitting desgevraagd bevestigd. Uit zijn hogerberoepschrift en zijn toelichting ter zitting volgt ook dat appellant zijn gestelde aanspraken op een premievrij pensioen niet kan onderbouwen. Dat dit te wijten zou zijn aan de lange procedures tegen UWV maakt dit niet anders. Tegen die achtergrond heeft de rechtbank zich terecht niet verder verdiept in het door appellant gestelde recht op een premievrij pensioen. Daarnaast heeft appellant ook in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die aanknopingspunten bieden voor zijn stelling dat hij zodanig onder de onrechtmatige besluitvorming van UWV heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW. Dat de psychiater, waar appellant destijds onder behandeling was, in 2003 is overleden waardoor hij beperkt is in zijn mogelijkheden om zijn stellingen met medische stukken te onderbouwen, komt voor zijn rekening en risico. Tot slot ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.