Rechtspraak
Appellant is werkzaam als senior technisch opzichter voor gemiddeld 40 uur per week. Hij valt op 2 februari 2009 uit voor dit werk met psychische klachten. Met een brief van 8 december 2010 deelt werkgeefster aan appellant mee dat zij, omdat hij niet meewerkt aan zijn re-integratie, gehouden is ‘om de sanctie op te leggen die de Wet Poortwachter daarvoor noemt’ en dat zij de loonbetalingen aan appellant met onmiddellijke ingang stopzet. Aan haar besluit heeft werkgeefster ten grondslag gelegd dat appellant, anders dan door de bedrijfsarts is geadviseerd, geen afspraken wil maken over zijn re-integratie, alle afspraken met de psychiater heeft afgezegd en daarmee zijn behandeling eenzijdig heeft beëindigd. Appellant vraagt een WIA-uitkering aan. Bij besluit van 9 juni 2011 brengt UWV appellant met ingang van 1 juli 2011 in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij een tweede besluit van 9 juni 2011 verlaagt UWV de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 oktober 2011 met 25%, omdat uit het re-integratieverslag is gebleken dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Appellant stelt bezwaar en beroep in tegen het tweede besluit. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 88 lid 2 aanhef en onder a Wet WIA weigert UWV de uitkering geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk indien de verzekerde zijn verplichtingen bedoeld in onder meer artikel 28 Wet WIA niet of niet behoorlijk is nagekomen. Vaststaat dat werkgeefster in de onvoldoende medewerking van appellant aan zijn re-integratie aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 7:629 lid 3 BW geen loon te betalen vanaf 8 december 2010. Artikel 7:629 lid 3 BW bevat een opsomming van situaties waarin een zieke werknemer geen recht heeft op loondoorbetaling. Uit de memorie van toelichting bij de Wet WIA (Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr. 3, p. 163) blijkt dat het gegeven dat de werkgever tijdens de wachttijd toepassing heeft gegeven aan artikel 7:629 lid 3 BW niet eraan in de weg staat dat UWV een maatregel oplegt wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Bij het onvoldoende verrichten van re-integratie-inspanningen is UWV verplicht een maatregel op te leggen. In wat appellant in hoger beroep over zijn sociale situatie naar voren heeft gebracht, is geen beroep te lezen op de aanwezigheid van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien. De uiteenzetting van appellant betreft onder meer de gevolgen van het niet hebben ontvangen van loon vanaf 8 december 2010, maar ziet niet op de consequenties van de opgelegde maatregel. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:650) is van een dringende reden om af te zien van het opleggen van een maatregel slechts sprake als de maatregel voor de betrokkene onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft. Daarvan is in het geval van appellant niet gebleken. Het hoger beroep slaagt niet.