Naar boven ↑

Rechtspraak

Incidenteel hoger beroep is niet beperkt tot die onderdelen van de rechtbankuitspraak waartegen het (principaal) hoger beroep is gericht. Met dit oordeel sluit de Raad zich aan bij de rechtspraak van de HR en de ABRvS.

Werkneemster is in dienst van betrokkene. Zij meldt zich op 21 april 2010 ziek. Op 18 oktober 2011 verzoekt zij UWV om toekenning van een WIA-uitkering. Bij besluit van 18 november 2011 verplicht UWV betrokkene het loon door te betalen tot 17 januari 2013 omdat zij niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Betrokkene verzoekt tweemaal om bekorting van de loonsanctie. Bij besluiten van 2 februari 2012 en 14 maart 2012 beslist UWV afwijzend op de verzoeken van betrokkene. Betrokkene maakt bezwaar tegen de besluiten van 18 november 2011, 2 februari 2012 en 14 maart 2012. UWV verklaart het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2011 gegrond (bestreden besluit I). In het besluit van 18 november 2011 is zij uitgegaan van een onjuiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag (namelijk 21 januari 2010 in plaats van 21 april 2010). De ingangsdatum van de loonsanctie wordt gewijzigd in 18 april 2012. Bij een tweede besluit verklaart UWV de bezwaren tegen de twee overige besluiten ongegrond (bestreden besluit II). In een tussenuitspraak oordeelt de rechtbank dat de stukken voldoende steun bieden voor de conclusie van UWV dat betrokkene in de wachttijd onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft gedaan. Over de bij bestreden besluit 2 gehandhaafde weigeringen van bekorting van de loonsanctie oordeelt de rechtbank dat UWV niet kan volstaan met de vaststelling dat nog steeds geen bevredigend resultaat is bereikt en dat UWV nog inhoudelijk zal moeten toetsen of de re-integratie-inspanningen van betrokkene in het sinds september 2011 ingezette tweede spoor al dan niet voldoende zijn geweest. Om die reden heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Bij de aangevallen uitspraak oordeelt de rechtbank dat UWV naar het oordeel van de rechtbank het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. UWV stelt hiertegen beroep in. Voor het geval het hoger beroep van UWV slaagt, heeft betrokkene zich in het incidenteel hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de oplegging van de loonsanctie en de verlenging van de loonsanctie bij bestreden besluit I.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ter bepaling van de omvang van het geding wordt ambtshalve het volgende overwogen. Op grond van artikel 8:110 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De rechtbank heeft bij één uitspraak een oordeel gegeven over twee besluiten. Dat appellant met zijn hogerberoepschrift de omvang van het geding in hoger beroep heeft beperkt tot het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven over bestreden besluit 2, staat niet eraan in de weg dat betrokkene in het ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 1 ter discussie stelt. De Raad sluit hiermee aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BL7972) en de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:4394). Dit betekent dat bij zijn keuze welke beslissingen van de rechtbank hij in het incidenteel hoger beroep betrekt, de indiener van dit beroep zich niet hoeft te beperken tot de beslissingen over de besluiten waarop het hoger beroep betrekking heeft.

Appellant wenst met het hoger beroep te bereiken dat zijn besluitvorming over het tweede bekortingsverzoek voor juist wordt gehouden en de door de rechtbank gegeven opdracht om dat besluit te heroverwegen vervalt. De Raad overweegt kort gezegd dat UWV op grond van artikel 25 lid 12 Wet WIA terecht een toetsbare onderbouwing van een bekortingsverzoek verlangt. Naast het gegeven dat het re-integratietraject bij lange na niet was afgerond toen het bekortingsverzoek werd ingediend is niet gebleken dat betrokkene haar bekortingsverzoek van enig rapport van EmPower met een beschrijving van tot dan toe ondernomen acties en behaalde resultaten vergezeld heeft doen gaan. Gelet hierop kan in het midden blijven of reeds na een tussenrapport in een re-integratietraject bekorting van een loonsanctie denkbaar is.

Dat het hoger beroep van appellant slaagt, betekent dat is voldaan aan de voorwaarde die betrokkene aan haar incidenteel beroep had verbonden en de door haar geformuleerde beroepsgronden in het incidenteel hoger beroep bespreking behoeven. Het betoog van appellant dat besluit 1 alleen al zou moeten worden vernietigd omdat appellant te laat tot oplegging van een loonsanctie heeft besloten, slaagt niet. De heroverweging van de opgelegde loonsanctie heeft verder niet tot een ander onderdeel over de re-integratie-inspanningen geleid, zodat niet kan worden gezegd dat aan betrokkene bij bestreden besluit 1 (opnieuw) een loonsanctie is opgelegd na afloop van de daarvoor in artikel 25 lid 11 Wet WIA genoemde termijn. De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar in de tussenuitspraak neergelegde oordeel dat op grond van de gegevens die bekend zijn geworden over de door betrokkene tot augustus 2011 geleverde inspanningen om de re-integratie van werkneemster in passende arbeid bij een andere werkgever te bevorderen, door appellant terecht is beslist dat betrokkene te afwachtend is geweest en tijd verloren heeft laten gaan.

Tot slot merkt de Raad op dat als de werkgever als gevolg van zijn bezwaar tegen een loonsanctiebesluit wordt geconfronteerd met een gewijzigde vaststelling van het verlengingstijdvak, sprake kan zijn van reformatio in peius. Uit het dossier blijkt dat betrokkene en werkneemster geen geschil hadden over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, te weten 21 april 2010. Alleen in de zogenoemde 42e-weeksmelding is als eerste ziektedag vermeld 21 januari 2010. Deze voor rekening van betrokkene komende fout heeft ertoe geleid dat UWV aanvankelijk een verkeerde datum voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster heeft gehanteerd. Er is sprake geweest van een kennelijke misslag, die voor betrokkene – bekend met haar verplichting op grond van artikel 7:629 van het BW en met de loonsanctieduur van in beginsel 52 weken – kenbaar is geweest. De zich hier voordoende correctie van een dergelijke kenbare misslag, nadat betrokkene in bezwaar om wijziging van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag had gevraagd, leidt niet tot schending van het verbod van reformatio in peius.