Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft terecht de uitbetaalde ZW- en WIA-uitkering teruggevorderd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en Stichting X. Volgens de Raad is de gezagsverhouding tussen appellant en de betreffende stichting niet vast komen te staan, mede gelet op de familierelatie tussen hem en een van de bestuurders van de stichting.

Appellant is verbonden als coördinator aan Stichting X. Stichting X is gevestigd op het woonadres van appellant en zijn echtgenote en wordt bestuurd door de echtgenote van appellant en haar broer. Op 27 april 2010 wordt appellant met ingang van 25 februari 2009 ziek gemeld voor zijn functie bij Stichting X. Van 8 april 2010 tot en met 22 februari 2011 ontvangt appellant een ZW-uitkering. Met ingang van 23 februari 2011 ontvangt appellant een WIA-uitkering. Stichting X wordt in september 2011 failliet verklaard. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant niet meer in Nederland woonachtig is, doet UWV onderzoek en concludeert UWV dat appellant voor de werkzaamheden die hij voor Stichting X verrichtte niet verplicht verzekerd is geweest op grond van de sociale verzekeringswetten, omdat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. UWV trekt om die reden de ZW- en WIA-uitkering van appellant in en vordert met terugwerkende kracht de reeds uitbetaalde uitkeringen terug. Appellant maakt hiertegen bezwaar, hetgeen ongegrond wordt verklaard.

Ook het door appellante ingestelde beroep wordt ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellant het rechtsvermoeden dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding op grond van de familierelatie tussen hem en zijn echtgenote niet weten te weerleggen. De verwijzing van appellant naar een arbeidsovereenkomst en loonstroken heeft de rechtbank in het licht van de overige gegevens onvoldoende geacht. Uit de overgelegde aangiften loonheffing leidt de rechtbank af dat appellant en Stichting X ten tijde in geding zelf de opvatting hadden dat geen sprake was van een arbeidsverhouding, maar dat dit achteraf en nadat appellant arbeidsongeschikt is geworden is aangepast. Dat blijkt volgens de rechtbank uit het feit dat namens Stichting X in eerste instantie nihilaangiften zijn gedaan, terwijl aan appellant vanaf september 2008 wel gelden zijn uitbetaald onder de vermelding van ‘loon’. Pas in 2009 zijn aangiften loonheffing gedaan, over de periode vanaf augustus 2008. Appellant heeft zich daarnaast naar buiten toe, waaronder op LinkedIn en jegens de curator, gepresenteerd als eigenaar van Stichting X. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de broer van de echtgenote van appellante maar kort bestuurder is geweest en dat de echtgenote van appellant feitelijk als enige bestuurder appellant opdrachten en aanwijzingen moest geven. Namens appellant is niet duidelijk gemaakt hoe dit in zijn werk ging terwijl de echtgenote niet altijd aanwezig was in verband met haar overige werkzaamheden. Appellant heeft geen concrete informatie verstrekt over zijn werkzaamheden die te herleiden is tot een verifieerbare opdracht van het bestuur. Appellant gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank en voert aan dat de nihilaangifte slechts het gevolg is geweest van een gebrek aan voldoende gelden en dat uit de stukken niet volgt dat hij zich als eigenaar heeft gepresenteerd. Tevens was appellant naar eigen zeggen gelet op zijn beheersing van de Nederlandse taal de aangewezen persoon om contacten te leggen met derden en de werkzaamheden uit te voeren en was hij dermate deskundig dat hij niet of zeer beperkt hoefde te worden bijgestuurd. Dat de echtgenote niet altijd aanwezig was, is volgens appellant niet van belang omdat het een kleine en informele stichting betreft en appellant en de bestuurder in één huis woonden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In hoger beroep is uitsluitend in geschil of appellant zijn werkzaamheden heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ZW en artikel 3 WIA. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn werkzaamheden voor Stichting X niet in een gezagsverhouding heeft verricht en de feiten en omstandigheden die zij aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. De informatie die de echtgenote van appellant ter zitting van de Raad heeft gegeven, leidt niet tot een andere waardering van de feiten. Deze informatie is namelijk zeer algemeen van aard en komt erop neer dat beslissingen in overleg tussen de echtgenoten in een informele setting werden genomen, wat wordt beaamd door appellant. Dit is echter in het licht van de overige omstandigheden van het geval zoals geschetst door de rechtbank, onvoldoende voor de vaststelling dat appellant zijn werkzaamheden in een gezagsverhouding tot Stichting X heeft verricht. Dat de echtgenote het laatste woord had bij bepaalde keuzes wordt niet aannemelijk geacht, aangezien steeds naar voren is gebracht dat juist appellant over de benodigde kennis en kunde ter zake beschikte, zodat niet aannemelijk is dat de echtgenote in staat is geweest appellant daarover inhoudelijke aanwijzingen te geven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.