Naar boven ↑

Rechtspraak

Rechtbank is terecht teruggekomen van het in een tussenuitspraak gegeven oordeel. UWV heeft zich in terugvorderingsbesluit terecht op het standpunt gesteld dat de ten onrechte uitgekeerde WIA-uitkering terugbetaald diende te worden en heeft in dat besluit terecht geen belangenafweging gemaakt.

Op 10 december 2012 vraagt appellant een WIA-uitkering aan, met ingang van 24 juli 2012, en verzoekt hij UWV hem voorschotten op de mogelijke uitkering te verstrekken. Op 7 januari 2013 kent UWV de door appellant gevraagde voorschotten toe. Ruim een jaar later, te weten op 1 februari 2013, besluit UWV dat voor appellant met ingang van 24 juli 2012 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Tevens vordert UWV bij besluit van 4 februari 2013 de aan appellant over de periode van 24 juli 2012 tot 1 februari 2013 betaalde voorschotten terug. Appellant maakt hiertegen bezwaar, hetgeen ongegrond wordt verklaard. Vervolgens gaat appellant in beroep. Door middel van een tussenuitspraak oordeelt de rechtbank onder verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2014:12 dat UWV in het terugvorderingsbesluit geen belangenafweging als bedoeld in artikel 4:95 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gemaakt. De rechtbank stelt UWV in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. UWV geeft de rechtbank bij brief van 20 maart 2014 te kennen het door de rechtbank geconstateerde gebrek niet te herstellen omdat, gelet op het tijdstip waarop het terugvorderingsbesluit is genomen, daarop niet langer artikel 4:95 Awb van toepassing was en UWV op basis van het per 1 januari 2013 gewijzigde artikel 77 lid 1 Wet WIA verplicht was tot terugvordering over te gaan. Naar aanleiding daarvan komt de rechtbank van haar tussenuitspraak terug en verklaart zij het beroep van appellant ongegrond. Vervolgens stelt appellant hoger beroep in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 77 lid 1 WIA, zoals dit op grond van artikel VII onderdeel A Wet aanscherping, handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) met ingang van 1 januari 2013 is komen te luiden, op de in geding zijnde terugvordering van toepassing is. Voor de toepasselijkheid van deze bepaling heeft UWV terecht aangeknoopt bij de datum van het primaire besluit, te weten 4 februari 2013, omdat de vordering door dit besluit is ontstaan. Op basis van artikel 77 lid 1 Wet WIA zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2013 is UWV verplicht de aan appellant betaalde voorschotten terug te vorderen. Een rechtbank mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel (zie ook ECLI:NL:CRVB:2011:BU7433 en ECLI:NL:CRVB:2012:BY2116). De overwegingen in de tussenuitspraak over de belangenafweging die op grond van artikel 4:95 lid 4 Awb gemaakt moeten worden bij de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten zijn onjuist, nu artikel 4:95 lid 4 Awb slechts van toepassing is op (terugvorderings)besluiten van vóór 1 januari 2013. De tussenuitspraak berust dan ook op een evident onjuiste juridische grondslag. De rechtbank heeft dus terecht een dergelijk bijzonder geval aanwezig geacht dat het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel rechtvaardigde. UWV heeft ten slotte terecht geen dringende reden aangenomen om van gehele of gedeeltelijke terugvordering van de voorschotten af te zien. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.