Naar boven ↑

Rechtspraak

De overtuiging van appellant dat hij geen recht had op een WW-uitkering is niet te wijten aan onjuiste informatie van UWV. Het gegeven dat appellant niet tijdig een nieuwe WW-aanvraag heeft ingediend komt voor rekening en risico van appellant. Geen sprake van een ‘bijzonder geval’.

Appellant is werkzaam als systeembeheerder. Per 9 maart 2009 wordt zijn dienstverband beëindigd door middel van wederzijds goedvinden en naar aanleiding daarvan vraagt hij op 19 maart 2009 bij UWV een WW-uitkering aan. Circa een week later geeft hij UWV te kennen dat hij zijn aanvraag om persoonlijke redenen wil intrekken, waarna UWV hem uitschrijft als werkzoekende. Appellant dient op 13 oktober 2014 wederom bij UWV een aanvraag om een WW-uitkering per 10 maart 2009 in. Als reden voor de te late aanvraag geeft hij op dat hij begin oktober 2014 via de Belastingdienst heeft vernomen dat hij recht heeft op een WW-uitkering. Bij besluit van 27 oktober 2014 brengt UWV appellant in aanmerking voor een WW-uitkering, welke in beginsel duurt tot en met 31 oktober 2011. Daarbij bepaalt UWV dat de uitkering niet kan worden uitbetaald omdat die periode gelet op artikel 35 WW te ver in het verleden ligt. Appellant maakt bezwaar hiertegen, hetgeen ongegrond wordt verklaard. Het daaropvolgend ingestelde beroep van appellant wordt gegrond verklaard. Hoewel de rechtbank tot de conclusie komt dat appellant zelf heeft gevraagd om zijn inschrijving als werkzoekende en zijn WW-aanvraag uit het bestand te verwijderen en geen aanknopingspunten ziet om aan te nemen dat appellant dit heeft verzocht omdat hij onjuist is voorgelicht, is niet gebleken dat appellant is medegedeeld dat hij geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Omdat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden wordt het beroep zodoende gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de vraag of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan UWV bevoegd is af te wijken van het uitgangspunt van artikel 35 WW dat de WW-uitkering niet wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de WW-aanvraag werd ingediend. Vooropgesteld wordt dat op appellant de bewijslast rust van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Wat appellant in dat kader heeft aangevoerd komt erop neer dat UWV hem in maart 2009 herhaaldelijk ten onrechte te kennen heeft gegeven dat hij in het geheel geen recht op een WW-uitkering had. Appellant heeft geen stukken overgelegd die steun kunnen bieden voor zijn standpunt. Zijn enkele stelling, dat hem herhaaldelijk te kennen is gegeven dat hij geen recht had op een WW-uitkering, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om een bijzonder geval aanwezig te achten. Uit de door UWV overgelegde stukken blijkt dat appellant naar aanleiding van zijn WW-aanvraag van 19 maart 2009 op juiste wijze is geïnformeerd. Dat appellant zijn WW-aanvraag van 19 maart 2009 heeft ingetrokken behoefde, anders dan appellant heeft gesteld, UWV in het licht van het voorgaande niet te verbazen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de overtuiging van appellant – dat hij in het geheel geen recht had op een WW-uitkering, hetgeen te wijten zou zijn aan onjuiste informatie van UWV – niet aannemelijk is geworden. Hieruit volgt dat het gegeven dat appellant niet tijdig een nieuwe WW-aanvraag heeft ingediend voor rekening en risico van appellant komt. Dat appellant geen bevestiging van de intrekking van zijn WW-aanvraag heeft ontvangen maakt niet dat UWV daardoor onzorgvuldig heeft gehandeld. In de aangevoerde financiële omstandigheden wordt evenmin aanleiding gezien om een bijzonder geval aan te nemen. Aangezien van een bijzonder geval in dit geval geen sprake is, was UWV niet bevoegd om af te wijken van artikel 35 eerste volzin WW. UWV heeft terecht de WW-uitkering over de periode van 10 maart 2009 tot en met 31 oktober 2011 niet uitbetaald. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

  • Rechters: B.M. van Dun
  • Wetsartikelen: 35 WW
  • Onderwerpen: Overig
  • Trefwoorden: te late aanvraag WW-uitkering, intrekking aanvraag om WW-uitkering, geen onjuiste informatie UWV en geen sprake van een bijzonder geval