Rechtspraak
Appellant maakt bezwaar tegen een passage uit een verweerschrift van UWV in het kader van een WW-procedure. In de betreffende passage in het verweerschrift stelt UWV dat appellant van mening is dat UWV hetgeen hij heeft ingevuld op zijn WW-aanvraag ten onrechte niet heeft aangemerkt als een ziekmelding. Deze mening deelt UWV niet. Volgens UWV heeft appellant uitdrukkelijk een WW-uitkering aangevraagd. Niet valt in te zien waarom UWV daaruit had moeten afleiden dat appellant beoogde een ZW-uitkering te verkrijgen. Appellant voldoet aan de verplichtingen die de WW hem oplegt en in de periode dat hij WW ontving, heeft hij niet kenbaar gemaakt dat hij ziek was toen hij uit dienst ging. UWV verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de passage uit het verweerschrift niet is gericht op enig (zelfstandig) rechtsgevolg. De rechtbank verklaart het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeel als volgt. UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde ziekmelding in de WW-aanvraag niet is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen over de ZW-uitkering. Er is daarom geen sprake van een aanvraag voor een ZW-uitkering in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. UWV was niet gehouden een besluit te nemen. Verwezen wordt naar de overwegingen hierover in de uitspraak van deze Raad met nummer 15/6748 ZW (ECLI:NL:CRVB:2016:4084). Van het niet in behandeling nemen van een aanvraag is geen sprake. De bedoelde passage is niet gericht op een rechtsgevolg en is daarom geen beschikking als bedoeld in het tweede lid van artikel 1:3 Awb. Het hoger beroep slaagt niet.