Rechtspraak
Appellante is vanaf 30 oktober 1999 werkzaam als medewerker gedurende 38 uur per week bij werkgever X. Zij staakt van 5 januari 2012 tot 19 april 2012 in verband met de cao-onderhandelingen voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Over de gestaakte dagen ontvangt appellante een uitkering uit de stakingskas van de vakbond. Appellante en werkgever ondertekenen vervolgens op 3 februari 2012 een vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd met ingang van 25 augustus 2012. In verband daarmee vraagt appellante een uitkering aan op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 12 september 2012 wordt appellante met ingang van 25 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 35,63 per week. Appellante maakt bezwaar tegen het besluit van 12 september 2012 en stelt daarbij het niet eens te zijn met het gemiddeld aantal arbeidsuren omdat zij altijd voor 38 uur per week werkzaam is geweest. Bij brief van 18 januari 2013 stelt UWV appellante op de hoogte van zijn voornemen de WW-uitkering met ingang van 25 augustus 2012 te beëindigen met als effectueringsdatum 19 maart 2013. Reden daarvoor is dat appellante in de laatste 36 weken voor haar eerste werkloosheidsdag niet in ten minste 26 weken arbeid heeft verricht (de in artikel 17 van de WW neergelegde wekeneis). In reactie daarop voert appellante onder meer aan dat het tegenwerpen van de wekeneis in strijd is met het in artikel 6, aanhef en vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest – herzien – (ESH) neergelegde stakingsrecht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is uitsluitend in geding de vraag of het tegenwerpen van de in artikel 17 neergelegde wekeneis in het onderhavige geval leidt tot schending van het in artikel 6, aanhef en vierde lid, van het ESH neergelegde stakingsrecht. Mocht deze vraag bevestigend worden beantwoord, dan zullen de stakingsdagen voor de hoogte van de WW-uitkering geen verlagend effect hebben.
Geoordeeld wordt dat er sprake is van een indirecte beperking van het stakingsrecht doordat een WW-uitkering wordt ontzegd omdat een betrokkene gedurende de periode van 36 weken voorafgaand aan diens eerste werkloosheidsdag meer dan 10 weken heeft deelgenomen aan een rechtmatige staking. Door het vasthouden aan de wekeneis zullen werknemers er mogelijk van worden weerhouden deel te nemen aan een staking uit vrees dat zij anders geen recht zullen hebben op een WW-uitkering. De financiële druk die hiervan uitgaat, is in strijd met de strekking van artikel 6, aanhef en vierde lid, van het ESH, namelijk het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Het standpunt van de minister dat werknemers zich er niet van laten weerhouden te staken door het niet meenemen van wegens staking niet gewerkte uren, zodat er geen sprake is van een feitelijke belemmering van het stakingsrecht, kan niet worden gevolgd.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687) zijn beperkingen van het stakingsrecht slechts gerechtvaardigd indien deze maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Bij de beoordeling óf een beperking of uitsluiting van de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is, dient de rechter alle omstandigheden mee te wegen. Niet is gebleken van omstandigheden die de indirecte beperking van het stakingsrecht kunnen rechtvaardigen. UWV heeft aangevoerd dat de WW niet bedoeld is voor financiële compensatie van stakingsdagen. Dit argument kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een gerechtvaardigde beperking van het stakingsrecht. De WW is gericht op het bieden van een inkomensvoorziening in geval van niet-verwijtbare werkloosheid. Dat na een staking een aanspraak op een WW-recht ontstaat, is met die doelstelling niet in strijd. Bovendien wordt vastgesteld dat blijkens het Besluit van 24 oktober 2016 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met starters, stakingsdagen en 104 weken wachttijd Wet WIA (Stb. 2016, 390) het Dagloonbesluit wordt aangepast, in zoverre dat stakingsdagen voortaan wel zullen worden meegenomen bij de vaststelling van het dagloon. Gelet op de importantie van het stakingsrecht moet geconcludeerd worden dat het niet treffen van enige regeling voor de toegang tot de WW-uitkering na een werkstaking terwijl dit wel is gedaan voor de duur van de WW-uitkering en binnenkort ook zal geschieden voor de hoogte van die uitkering, een niet gerechtvaardigde beperking van het stakingsrecht vormt. De door de rechtbank aan de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD9919) ontleende rechtvaardigingsgrond, dat de werkgever over de stakingsdagen geen loon verschuldigd is en er over die dagen dus geen premies worden afgedragen, leidt niet tot een andere conclusie, omdat het niet-afdragen van premies niet valt te brengen onder een van de in artikel G van het ESH genoemde belangen.
Uit het voorgaande volgt dat het tegenwerpen van de wekeneis zoals neergelegd in artikel 17 van de WW in strijd is met het in artikel 6, aanhef en vierde lid, van het ESH neergelegde stakingsrecht. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.