Rechtspraak
Appellante was laatstelijk werkzaam bij werkgever. Op 27 oktober 2011 meldt appellante zich vanuit een WW-situatie ziek. Bij besluit van 25 januari 2012 stelt UWV vast dat appellante vanaf 26 januari 2012 recht had op een ZW-uitkering. Bij arrest van 16 juli 2013 heeft het Gerechtshof Den Haag voor recht verklaard dat vanaf 17 september 2010 onverminderd sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen appellante en werkgever en dat deze niet rechtsgeldig is geëindigd. Het hof veroordeelt werkgever tot het betalen van loon en vakantietoeslag van 17 september 2010 tot 14 augustus 2012. Bij besluit van 1 april 2014 vordert UWV de over de periode van 26 januari 2012 tot en met 23 oktober 2013 onverschuldigd betaalde ZW-uitkering (een bedrag van 52.735,66 euro ) terug. Appellante maakt bezwaar, UWV verklaart het bezwaar gegrond en stelt vast dat appellante per 14 augustus 2012 recht heeft op ziekengeld. De terugvordering wordt beperkt tot de periode van 26 januari 2012 tot 14 augustus 2012 en verlaagd tot 16.428,52 euro. Het beroep van appellante verklaart de rechtbank ongegrond. De rechtbank oordeelt dat UWV terecht heeft besloten het over de periode van 26 januari 2012 tot 14 augustus 2012 onverschuldigd betaalde ziekengeld terug te vorderen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor betrokkene heeft. De omstandigheid dat het terug te vorderen bedrag hoger is dan het bedrag aan loon dat achteraf over deze periode aan appellante is betaald, vormt geen dringende reden om de terugvordering te beperken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2012:BV8090). Ook het feit dat het bedrag aan salaris niet inbaar is gebleken levert geen dringende reden op. Hoewel appellante ongetwijfeld stress heeft ondervonden van de terugvorderingsprocedure, is niet gebleken dat sprake is van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties. De omstandigheid dat appellante tijdens de procedure tegen haar (ex-)werkgever kampte met zware psychische klachten en daarmee nog steeds kampt, levert evenmin een dringende reden op, omdat dit niet een gevolg is van de terugvordering (verwezen wordt naar ECLI:NL:CRVB:2008: BG8237 en ECLI:NL:CRVB:2013:2828).