Naar boven ↑

Rechtspraak

De omstandigheid dat appellante zelf de verhuizing naar het buitenland heeft gemeld is geen dringende reden om van terugvordering af te zien nu die melding geen gevolg is van de terugvordering, maar de oorzaak daarvan.

Appellante ontvangt vanaf 27 februari 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante informeert UWV bij mailbericht van 14 augustus 2014 dat zij per 15 mei 2014 in Turkije verblijft. Bij besluit van 25 september 2014 (besluit I) herziet UWV de WW-uitkering van appellante vanaf 12 mei 2014 en vordert de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 12 mei 2014 tot en met 3 augustus 2014, zijnde € 2.603,88, terug. Bij besluit II van 25 september 2014 legt UWV appellante een boete op ten bedrage van € 1.310, omdat zij te laat heeft doorgegeven dat zij naar Turkije is verhuisd. Het bezwaar en beroep tegen besluit I worden ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt daartoe dat aannemelijk is geworden dat appellante op 8 mei 2014 definitief is vertrokken naar Turkije. Het bezwaar tegen besluit II wordt door UWV gegrond verklaard. UWV stelt de boete nader vast op € 330. Volgens de rechtbank is de boete gelet op alle omstandigheden niet onevenredig. Eveneens is niet gebleken van een dringende reden die zou moeten leiden tot het afzien van herziening en terugvordering of het opleggen van een boete. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat er dringende redenen zijn die moeten leiden tot het afzien dan wel matigen van de terugvordering, aangezien appellante zelf de verhuizing heeft gemeld en zij een laag inkomen heeft. Het lage inkomen van appellante is een dringende reden die moet leiden tot het afzien van de boete.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet (langer) in geschil is dat UWV gehouden is de WW-uitkering over de periode van 12 mei 2014 tot en met 3 augustus 2014 te herzien, op de grond dat appellante in die periode buiten Nederland verbleef anders dan wegens vakantie. Over de terugvordering is slechts nog in geschil of sprake is van een dringende reden om daarvan af te zien. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2514) kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De omstandigheid dat appellante zelf de verhuizing heeft gemeld is geen dringende reden nu die melding geen gevolg is van de terugvordering, maar de oorzaak daarvan. Ook de financiële situatie van appellante geeft geen aanleiding voor het aannemen van een dringende reden. Appellante heeft namelijk niet onderbouwd dat zij een te laag inkomen heeft om de vordering te voldoen en ter zitting heeft de gemachtigde van UWV meegedeeld dat appellante in staat is geweest de onverschuldigd betaalde uitkering aan UWV volledig terug te betalen. Niet in geschil is dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Haar stelling over haar lage inkomen heeft appellante niet onderbouwd en is ook niet in overeenstemming met het gegeven dat zij de boete reeds in november 2015 volledig heeft voldaan. Met de rechtbank wordt daarom geoordeeld dat er geen aanleiding is om de boete te verlagen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.