Naar boven ↑

Rechtspraak

Melding eigenrisicodrager van verwijtbaar gedrag van werknemer tijdens re-integratietraject niet gebaseerd op gegrond vermoeden. Geen sprake van lopend re-integratietraject. UWV was niet gehouden nader onderzoek te doen en werknemer is terecht geen maatregel opgelegd.

Werknemer is tot 1 augustus 2011 werkzaam bij betrokkene (eigenrisicodrager). Met ingang van voornoemde datum tot 1 oktober 2014 ontvangt werknemer een WW-uitkering. Betrokkene schrijft werknemer in maart en april 2014 aan met het verzoek haar een overzicht te doen toekomen van de activiteiten met betrekking tot alle verplichtingen die hem zijn opgelegd in het kader van zijn WW-uitkering. Werknemer reageert niet op deze verzoeken. Op 16 april 2014 doet betrokkene bij appellant melding van verwijtbaar gedrag tijdens het re-integratietraject. Daarbij maakt betrokkene kenbaar dat werknemer weigert een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten te verstrekken, waardoor het voor betrokkene niet mogelijk is de sollicitaties kwalitatief te beoordelen, terwijl deze taak expliciet is neergelegd bij de voormalig werkgever. Op 15 mei 2014 besluit appellant naar aanleiding van de melding werknemer geen maatregel op te leggen. Het bezwaar tegen voornoemd besluit verklaart appellant ongegrond. Appellant stelt vast dat werknemer begin 2013 een re-integratietraject heeft gevolgd bij Randstad HR Solutions (Randstad) en dat dit re-integratietraject is afgesloten. Niet is gebleken dat een nieuw re-integratietraject is gestart. De rechtbank verklaart het beroep van betrokkene gegrond. De rechtbank overweegt daartoe dat ook los van een re-integratietraject voor betrokkene de verplichting bestaat om haar re-integratietaak in te vullen. Door de weigering van werknemer om betrokkene te informeren over zijn inspanningen om weer aan het werk te komen, kan betrokkene niet aan haar re-integratieverplichting voldoen. Appellant keert zich tegen de aangevallen uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep overweegt als volgt. Vastgesteld wordt dat het re-integratietraject bij Randstad op 5 maart 2013 is afgerond. Ten tijde van de verzoeken van betrokkene in maart en april 2016 was dus geen sprake van een lopend re-integratietraject. De aan werknemer gezonden brieven kunnen ook niet als startpunt van een re-integratietraject worden aangemerkt. Dit vereist immers dat het werknemer kenbaar moet zijn geweest dat de voormalig overheidswerkgever heeft beoogd een re-integratietraject te starten. De verzoeken kunnen slechts gezien worden in het licht van de algemene controle die betrokkene wenst uit te oefenen op de naleving van werknemer van al zijn verplichtingen op grond van de WW. Werknemer was daarom, nu dit geen re-integratietaak van betrokkene betreft, niet verplicht op deze verzoeken te reageren.

Conclusie is dat de melding van 16 april 2014 niet is gebaseerd op een gegrond vermoeden dat werknemer niet heeft meegewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, van het Besluit SUWI. Appellant was niet gehouden om naar aanleiding van die melding nader onderzoek te doen en heeft terecht besloten werknemer geen maatregel op te leggen. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd.