Naar boven ↑

Rechtspraak

Verbouwen van en meewerken in onderneming van echtgenote kan worden aangemerkt als arbeid verricht in het economisch verkeer, waarmee geldelijk voordeel wordt beoogd of kan worden verwacht. Het niet melden ervan levert schending van de inlichtingenplicht van appellant op.

Appellant ontvangt met ingang van 6 mei 2013 een WW-uitkering. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van die WW-uitkering wordt appellant in november 2013 werkend aangetroffen in de onderneming van zijn echtgenote. Op 11 april 2014 verklaart appellant tegenover UWV dat hij in de periode van 27 mei 2013 tot en met 9 juni 2013 in totaal 16 uur heeft geholpen met de verbouwing van de onderneming van zijn echtgenote en dat hij vanaf 9 september 2013 is gaan meewerken in deze onderneming voor gemiddeld drie uur per dag, zonder hiervoor loon te hebben ontvangen. UWV herziet vervolgens de WW-uitkering van appellant vanaf 27 mei 2013 en vordert de te veel ontvangen WW-uitkering ten bedrage van € 7.142,52 terug. Ook legt UWV appellant een boete op van eveneens € 7.142,52 en neemt UWV een invorderingsbesluit. Het tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaar verklaart UWV ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van appellant gegrond voor zover betrekking hebbend op de boete en legt een boete op van € 3.580. Appellant herhaalt in hoger beroep dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Het kon hem niet redelijkerwijs duidelijk zijn dat het helpen van zijn vrouw bij de verbouwing van het pand en later in de winkel van invloed kon zijn op zijn WW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die hiertoe hebben geleid worden geheel onderschreven. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn activiteiten tijdens de verbouwing van de onderneming van zijn echtgenote en vervolgens in de winkel werkzaamheden zijn die in het algemeen in het economisch verkeer beloond worden en dus van invloed kunnen zijn op zijn recht op een WW-uitkering (zie ook de uitspraak van de Raad van 9 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4197). De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat appellant deze werkzaamheden had moeten melden en door dit niet te doen zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

Appellant heeft weliswaar gesteld dat UWV, bij de berekening van het van hem terug te vorderen bedrag aan ten onrechte genoten WW-uitkering, niet uit mocht gaan van een door hem ondertekend gespreksverslag met daarin zijn verklaring over de omvang van zijn werkzaamheden, maar hij heeft niet toegelicht waarom zijn verklaring hierover niet juist zou zijn dan wel waar UWV wel van had moeten uitgaan. UWV is dan ook terecht uitgegaan van de door appellant genoemde uren.

Ook voor de Raad staat vast dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hem hiervan zowel objectief als subjectief een verwijt kan worden gemaakt. UWV was dan ook gehouden om appellant een boete op te leggen. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander bedrag uit te gaan dan door de rechtbank is opgelegd. De boete van € 3.580 is hier passend en geboden. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.