Naar boven ↑

Rechtspraak

Indien werkneemster een bemiddelinggesprek weigert, voldoet werkgeefster niet aan de re-integratieverplichting indien zij vervolgens geen verdere re-integratiepoging onderneemt maar besluit de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

Werkneemster werkte bij appellante in de functie van senior woonconsulent. Op 5 juni 2012 meldt werkneemster zich ziek met psychische klachten. Het dienstverband tussen appellante en werkneemster eindigt op 1 juli 2013 door ontbinding door de kantonrechter. Vanaf 2 juli 2013 heeft werkneemster recht op een ZW-uitkering. Op 14 januari 2013 heeft de bedrijfsarts bepaald dat weer een start kan worden gemaakt met de re-integratie in het eigen werk. Dit leidde tot gesprekken tussen werkneemster en haar leidinggevende, waarin de laatste als voorwaarde voor re-integratie stelde, dat werkneemster eerst een bemiddelinggesprek diende te voeren. Werkneemster weigerde dit. De bedrijfsarts achtte werkneemster medisch in staat tot het voeren van gesprekken over de arbeidssituatie en meende dat appellante dat ook van werkneemster kon vragen. Werkneemster volhardt in haar weigering, wat ertoe leidt dat appellante bij brief van 20 februari 2013 werkneemster aanzegt dat als zij niet uiterlijk op vrijdag 22 februari 2013 instemt met het gesprek, stappen zullen worden gezet om te komen tot beëindiging van de arbeidsrelatie. Bij brief van maandag 25 februari 2013 meldt appellante een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de kantonrechter voor te gaan leggen. Appellante verricht daarna geen inspanningen meer om werkneemster te re-integreren in de eigen organisatie of daarbuiten. Op 17 februari 2013 vraag werkneemster om een deskundigenoordeel met betrekking tot de re-integratie-activiteiten van appellante. De arbeidsdeskundige concludeert dat de door appellante verrichte re-integratie-inspanningen niet voldoende zijn. UWV concludeert bij besluit van 30 april 2014 dat de re-integratieactiviteiten van appellante onvoldoende zijn geweest en dat de zogenoemde stagnatieperiode 22 week bedraagt. De aan werkneemster betaalde ZW-uitkering, inclusief de verschuldigde werkgeverspremies, over de periode van 2 juli 2013 tot en met 2 december 2013 verhaalt UWV op appellante tot een bedrag van € 11.673,64. UWV verklaart het bezwaar van appellante ongegrond. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt dat van appellante had mogen worden verwacht dat zij passende rechtspositionele maatregelen zou hebben genomen om de impasse te doorbreken, door bijvoorbeeld de loonbetaling (deels) stop te zetten. Appellante stelt beroep in. Bij nader besluit stelt UWV het verhaalsbedrag vast op € 9.312,38. Hieraan ligt ten grondslag dat UWV besluit het verhaalsbedrag te verlagen met een maatregel die alsnog aan werkneemster wordt opgelegd, inhoudende een verlaging van de ZW-uitkering met 25% gedurende vier maanden, omdat werkneemster onvoldoende heeft meegewerkt aan de re-integratieactiviteiten. De rechtbank verklaart het beroep van appellante ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Evenals de rechtbank concludeert de Raad dat UWV terecht heeft beslist dat appellante moet worden verweten dat zij zonder deugdelijke grond onvoldoende activiteiten heeft ontplooid om werkneemster te re-integreren in voor haar passend werk. Appellante wordt niet gevolgd in haar verder niet onderbouwde stelling dat een loonstop als middel om een bemiddelinggesprek te bevorderen, geen re-integratie-instrument is en dat haar daarom in het kader van artikel 39a ZW geen verwijt kan worden gemaakt. Van belang wordt geacht dat werkneemster na de aanzegging van beëindiging van appellante heeft aangegeven alsnog te willen deelnemen aan een bemiddelinggesprek, waarvan appellante kennelijk geen gebruik meer heeft willen maken. Van appellante had mogen worden verwacht dat zij zich eerder zou hebben georiënteerd op andere mogelijkheden binnen de organisatie of daarbuiten. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.