Rechtspraak
Bij besluit van 1 augustus 2013 brengt UWV appellante met ingang van 20 juli 2013 in aanmerking voor een WW-uitkering, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van negen uur per week en een TW-toeslag. Appellante verrichtte van 2 september 2013 tot en met 31 december 2013 werkzaamheden voor een stichting in het kader van een stage en ontvangt daarvoor een stagevergoeding. Bij besluit van 10 september 2014 trekt UWV de WW-uitkering en de toeslag van appellante over de periode van 2 september 2013 tot en met 31 december 2013 in op de grond dat appellante de stage niet heeft doorgegeven en daardoor ten onrechte een WW-uitkering en een toeslag heeft ontvangen. UWV vordert een bedrag van € 2.712,32 terug. Het bezwaar en beroep van appellante worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellante betwist niet dat zij tijdens haar stage gemiddeld meer heeft gewerkt dan de negen uur per week waarvoor zij een WW-uitkering ontving. Hieruit volgt dat er tijdens de stage geen relevant arbeidsurenverlies is geweest als bedoeld in artikel 16, eerste lid, WW op grond waarvan appellante als werkloos moet worden aangemerkt. Het recht op WW-uitkering eindigt ter zake van de negen arbeidsuren die appellante in een kalenderweek heeft. Nu appellante geen recht heeft op een WW-uitkering, voldoet zij niet aan de voorwaarden van artikel 2 van de TW en heeft zij evenmin recht op een toeslag. Ook in hoger beroep heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij de stagewerkzaamheden bij UWV heeft gemeld. UWV heeft terecht de WW-uitkering en toeslag over de periode van 2 september 2013 tot en met 31 december 2013 ingetrokken. Uit artikel 36, eerste lid, WW en artikel 20 TW volgt dat UWV verplicht was de onverschuldigd aan appellante betaalde WW-uitkering en toeslag van haar terug te vorderen. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt geen dringende reden om van terugvordering van de WW-uitkering en toeslag af te zien. Van een dringende reden kan slechts sprake zijn indien de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou leiden. Dat appellante een marginale stagevergoeding heeft ontvangen en dat zij de ontvangst van die vergoeding, naar zij stelt, niet opzettelijk heeft verzwegen, ziet niet op de gevolgen van het terugvorderingsbesluit. Het hoger beroep slaagt niet.