Rechtspraak
Betrokkene is vanaf 1 augustus 2013 voor bepaalde tijd in dienst bij appellante in de functie van leraar. Betrokkene werkt twee dagen per week als leerkracht onderbouw. Op enig moment wordt aan betrokkene medegedeeld dat in de onderbouw geen plaats meer voor haar is en dat er misschien een plek vrij is in de bovenbouw. Betrokkene laat op 20 mei 2014 weten dat zij het aanbod om twee dagen in de bovenbouw te werken niet aanneemt omdat zij niet de kennis van de montessorimaterialen heeft en zij zich daardoor niet zeker voelt op een plek in een bovenbouwgroep. Het dienstverband van betrokkene is per 1 augustus 2014 van rechtswege geëindigd. UWV brengt betrokkene per 4 augustus 2014 in aanmerking voor een WW-uitkering naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 26 per week. Bij besluit van 31 december 2014 (bestreden besluit) verklaart UWV het bezwaar van appellante tegen het eerdere besluit gegrond en bepaalt UWV dat de WW-uitkering van betrokkene per 1 januari 2015 voor zeventien uur per week beëindigd wordt omdat betrokkene heeft nagelaten passende arbeid voor zeventien uur te aanvaarden zonder dat zij daarvoor een goede reden had. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter, naar aanleiding van het beroep van appellante, kan het handelen van betrokkene niet worden aangemerkt als het nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Appellante stelt tegen dit oordeel hoger beroep in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voorop staat dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene een concreet werkaanbod is gedaan. Evenmin is in geschil dat betrokkene zowel op 13 mei 2014 en op 20 mei 2014 te kennen heeft gegeven het aanbod niet te kunnen accepteren omdat zij de kennis van de montessorimaterialen niet heeft en zij zich niet zeker voelt in een bovenbouwgroep. Betrokkene heeft ook binnen de gestelde bedenktijd het aanbod niet aanvaard. Anders dan betrokkene heeft aangevoerd is gelet op de reactie van betrokkene op het aanbod van appellante komen vast te staan dat betrokkene het aanbod heeft afgewezen.
Vervolgens is de vraag of betrokkene het aanbod niet hoefde te accepteren omdat appellante geen passende arbeid in de zin van artikel 24, derde lid, van de WW heeft aangeboden, zoals betrokkene heeft gesteld. Daartoe heeft betrokkene ter zitting in aanvulling op haar eerdere stellingen erop gewezen dat zij weliswaar gekwalificeerd was om les te geven in een bovenbouwgroep maar zij daartoe niet bekwaam was omdat zij de opleiding en ervaring miste om te werken met montessorimaterialen voor de bovenbouw en zich daardoor ook onzeker voelde.
Betrokkene wordt niet in dit standpunt gevolgd. Ter zitting is vastgesteld dat betrokkene als leerkracht bevoegd was om les te geven aan de bovenbouw op een montessorischool. Deze werkzaamheden vielen derhalve binnen de mogelijkheden van betrokkene. Dat betrokkene geen ervaring had met montessorimaterialen voor de bovenbouw betekent, anders dan betrokkene heeft gesteld, niet dat van haar niet gevergd kon worden les te geven aan een bovenbouwgroep op een montessorischool. Gelet op de ruime ervaring van betrokkene in het reguliere basisonderwijs en het montessorionderwijs en op de omstandigheid dat zij zowel in het reguliere basisonderwijs als bij appellante als invalkracht gewerkt heeft in een bovenbouwgroep, moet betrokkene in staat worden geacht zich de vereiste materialenkennis te verwerven en voor twee dagen per week lessen te verzorgen voor de bovenbouw. Daarbij is van belang dat appellante betrokkene in staat acht lessen aan de bovenbouw te geven. Bovendien heeft appellante ter zitting erop gewezen dat er ook nu bij haar meerdere leerkrachten werkzaam zijn zonder montessoridiploma en dat bij overstap naar een andere bouw standaard ondersteuning aan de leerkracht wordt geboden. Gezien het voorgaande heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de aangeboden werkzaamheden van haar niet gevergd konden worden. Dat betrokkene zich onzeker en niet in staat voelde om de aangeboden werkzaamheden uit te voeren is in het licht van het voorgaande onvoldoende om te twijfelen aan haar bekwaamheid voor deze werkzaamheden.
Onder deze omstandigheden wordt het handelen van betrokkene aangemerkt als het nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede van de WW. Niet is gebleken dat betrokkene hiervan niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.