Rechtspraak
Blijkens een op 1 november 2009 opgemaakte en door appellante ondertekende overeenkomst, arbeidsovereenkomst genoemd, treedt appellante met ingang van diezelfde datum voor de duur van negen maanden in dienst van BV 1 en vanaf 1 januari 2010 bij BV 2. X, de zwager van appellante was eigenaar van BV 2. Nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd wordt aan appellante een WW-uitkering toegekend. Omdat appellante zich op 13 oktober 2010 heeft ziekgemeld en de WW-uitkering per 2 november 2010 afliep, is appellante per 2 november 2010 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering. Met ingang van 6 december 2010 wordt de ZW-uitkering beëindigd.
UWV stelt in 2013 een onderzoek in naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellante bij BV 2. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport werknemersfraude van 15 oktober 2013. Uit het rapport blijkt dat de WW-aanvraag, de arbeidsovereenkomst, de salarisstroken en de brief tot het niet-verlengen van het contract vals of valselijk zijn opgemaakt. Geadviseerd is de WW- en de ZW-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken omdat appellante niet is aan te merken als verzekerd voor de werknemersverzekeringen. UWV trekt beide uitkeringen met terugwerkende kracht in en vordert het onverschuldigd betaalde bedrag terug. Appellante herhaalt in hoger beroep dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met BV 2. Zij herhaalt dat X haar heeft gebruikt als een willoos werktuig en daarbij misbruik heeft gemaakt van haar analfabetisme: appellante heeft nooit een arbeidsovereenkomst getekend, nooit een WW- of ZW-uitkering aangevraagd en heeft niet geweten dat zij uitkeringen ontving van UWV, omdat zij de brieven van UWV daarover niet heeft gelezen en niet kon lezen en omdat haar echtgenoot de financiën regelde en haar bankpas in beheer had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellante erkent dat haar dienstverband met BV 2 gefingeerd was. In hoger beroep ligt uitsluitend de vraag voor of UWV de WW- en ZW-uitkering van appellante heeft mogen intrekken met terugwerkende kracht en of de terugvorderingen in stand kunnen blijven. Het intrekken van de uitkering met terugwerkende kracht is op grond van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 toegestaan indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte een te hoog bedrag aan uitkering is verstrekt dan wel de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. UWV heeft niet aan de hand van de beleidsregels bezien of intrekking met terugwerkende kracht mogelijk was waardoor aan het bestreden besluit een gebrek kleeft.
De Raad stelt vast dat is voldaan aan het criterium dat verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat haar ten onrechte tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Appellante is gezien door een verzekeringsarts. Tijdens dat bezoek heeft appellante verteld dat zij een jaar WW heeft gehad. Hieruit moet worden afgeleid dat appellante wist dat zij een WW-uitkering ontving. Aangezien zij ook wist dat zij niet in dienstbetrekking werkzaam was geweest, was het haar redelijkerwijs duidelijk of kon het haar redelijkerwijs duidelijk zijn dat de WW-uitkering haar ten onrechte was toegekend. Mede gezien deze professionele begeleiding is niet goed denkbaar dat het appellante niet duidelijk was dat haar bezoek aan de arts van UWV verband hield met een ziekmelding van haar en ertoe strekte om vast te stellen of zij ongeschikt was voor haar arbeid. Gelet hierop wordt ook ten aanzien van de ZW-uitkering geoordeeld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat deze ten onrechte was toegekend. UWV was op grond van artikel 3 lid 3 Beleidsregels gehouden de uitkeringen met terugwerkende kracht in te trekken.