Naar boven ↑

Rechtspraak

Betrokkene schendt inlichtingenplicht door werkzaamheden als zelfstandige niet aan UWV te melden. UWV is gehouden om de onterecht uitgekeerde WW-uitkering terug te vorderen en betrokkene een boete op te leggen. Omstandigheden van het geval geven geen aanleiding om van ander boetebedrag uit te gaan.

Betrokkene treedt op 1 september 2008 in dienst bij werkgever. Op 1 juni 2013 schrijft appellant zijn bedrijf in in het handelsregister. Vanwege een reorganisatie in 2013 komt betrokkene per 2 juli 2013 in aanmerking voor een WW-uitkering. Betrokkene verzuimt bij zijn aanvraag te melden dat hij een eigen bedrijf heeft. UWV stelt vervolgens een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de WW-uitkering van betrokkene. Uit dit onderzoek vloeit voort dat betrokkene gedurende de uitkeringsperiode werkzaamheden heeft verricht voor zijn bedrijf. UWV beëindigt bij besluit van 4 maart 2014 de WW-uitkering van betrokkene per 22 juli 2013 en vordert bij besluit van 24 maart 2014 een bedrag van € 9.152,78 terug van betrokkene. Voorts legt UWV betrokkene een boete van € 4.580 op wegens schending van de inlichtingenplicht. Betrokkene maakt bezwaar en UWV verklaart deze bezwaren ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep vervolgens gegrond en vernietigt de besluiten van UWV. De rechtbank voert daartoe aan dat de door betrokkene verrichte werkzaamheden niet beschouwd moeten worden als werkzaamheden als zelfstandige, maar als betaalde netwerkactiviteiten. Zodoende heeft UWV volgens de rechtbank onterecht de WW-uitkering van betrokkene ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank ontvalt de grondslag aan de terugvordering en de boete. UWV stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Doordat betrokkene niet onverwijld melding heeft gemaakt van deze werkzaamheden heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Betrokkene heeft niet betwist op 26 en 27 juli 2013 werkzaamheden te hebben verricht. Betrokkene heeft bovendien voor deze werkzaamheden een vergoeding ontvangen. Deze werkzaamheden moeten daarom worden aangemerkt als werkzaamheden uit hoofde waarvan betrokkene zijn hoedanigheid van werknemer verliest, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. Appellant heeft de omvang van deze werkzaamheden vastgesteld op 29,10 uur. Deze omvang heeft betrokkene niet betwist. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de WW, eindigt het recht op WW-uitkering voor dit aantal uren.

Betrokkene heeft de verrichte werkzaamheden niet uit eigen beweging gemeld aan UWV. Het had betrokkene redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het werkzaamheden betreft die van invloed kunnen zijn op het recht op een WW-uitkering, temeer daar betrokkene hiervoor een betaling heeft ontvangen. Door deze werkzaamheden niet onverwijld aan UWV te melden, heeft betrokkene zijn inlichtingenplicht geschonden. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW was appellant gehouden de WW-uitkering van betrokkene met terugwerkende kracht te herzien voor 29,10 uur per week. UWV is tevens gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug te vorderen.

Gelet op het voorgaande staat vast dat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt. UWV is dan ook gehouden betrokkene een boete op te leggen. De omstandigheden waaronder betrokkene zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander boetebedrag uit te gaan. Het hoger beroep slaagt en de Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.