Rechtspraak
Appellant komt met ingang van 1 juli 2011 in aanmerking voor een WW-uitkering. Nadat appellant meldt volledig als zelfstandige aan de slag te gaan, trekt UWV deze uitkering met ingang van 3 juni 2013 in. UWV ziet aanleiding te onderzoeken of appellant reeds voor 3 juni 2013 activiteiten als zelfstandige ontplooide. Uit dit onderzoek komt naar voren dat dit inderdaad het geval is. Appellant verklaart in dit verband dat hij met deze activiteiten enkel zijn echtgenote met haar hobby helpt en dat zijn activiteiten met name PR-zaken en de boekhouding betreffen, waarmee hij vanaf de start van het bedrijf op 1 juni 2012 gemiddeld een uur per week bezig zou zijn. Op basis van voornoemd onderzoek concludeert UWV dat appellant, zonder dit aan UWV te melden, vanaf 1 juni 2012 gemiddeld een uur per week en vanaf 18 juni 2012 gemiddeld twintig uur per week werkzaam is als zelfstandige, en dat hij in verband daarmee geen recht had op een volledige WW-uitkering. Vervolgens neemt UWV op 14 april 2014 twee besluiten. Bij het eerste besluit herziet UWV de WW-uitkering van appellant en vordert UWV een bedrag van € 17.856,55 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug. Bij het tweede besluit legt UWV appellant een boete op van € 17.856,55 in verband met schending van de inlichtingenplicht. Het bezwaar tegen besluit 1 wordt ongegrond verklaard en naar aanleiding van het bezwaar tegen besluit 2 wordt de boete verlaagd naar € 4.910. Bij de aangevallen uitspraak verklaart de rechtbank het beroep tegen voornoemde besluiten ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden van appellant moeten worden aangemerkt als werkzaamheden als zelfstandige, in verband waarmee hij de hoedanigheid van werknemer (ex art. 8 WW) gedeeltelijk heeft verloren. Appellant hield via zijn persoonlijke vennootschap alle aandelen in de vennootschappen waar hij werkzaam was en heeft daar in 2012 een bedrag van ongeveer € 74.000 uit eigen middelen in geïnvesteerd. Een dergelijke forse investering valt niet te rijmen met het aanmerken van de betrokken activiteiten als iets anders dan activiteiten in het kader van zelfstandig ondernemerschap.
Door zijn werkzaamheden als zelfstandige niet onverwijld uit eigen beweging aan UWV te melden, heeft appellant zijn inlichtingenplicht geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze inkomsten van invloed konden zijn op zijn recht op uitkering, zodat hij deze werkzaamheden had moeten melden. UWV was voorts gehouden de uitkering van appellant te herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Van het schenden van de inlichtingenplicht kan appellant bovendien een verwijt worden gemaakt, zodat UWV ook verplicht was hem een boete op te leggen. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de schending van de inlichtingenplicht hem niet of slechts verminderd kan worden toegerekend. De mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder appellant de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding voor een lagere boete dan de door UWV opgelegde boete van (uiteindelijk) € 4.910. Deze boete is hier passend en geboden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.