Rechtspraak
Appellant is werkzaam als BOA/toezichthouder. Werkgever verleent bij besluit van 6 november 2014 ontslag aan appellant, met ingang van drie dagen na verzending van het besluit. Appellant maakt vervolgens bezwaar. Appellant meldt zich op 12 november 2014 per 11 augustus 2014 ziek bij zijn werkgever. UWV weigert appellant vervolgens een voorschot op een uitkering op grond van de ZW te verstrekken. Daartoe mag UWV niet overgaan zolang onduidelijkheid bestaat over de doorbetaling van loon, aldus UWV. UWV geeft aan de uitkering te hervatten wanneer niet langer onduidelijkheid over de loondoorbetaling bestaat. UWV verklaart het bezwaar van appellant ongegrond. Ook de rechtbank verklaart bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond. De rechtbank voert daartoe aan dat de aanstelling van appellant mogelijk tot 10 november 2014 heeft geduurd en appellant zodoende tot die datum mogelijk recht had op loon. In hoger beroep voert appellant aan dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak onvoldoende zijn gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Omdat het gegeven ontslag in rechte werd aangevochten en die procedure ten tijde van het bestreden besluit nog niet ten einde was gekomen, bestond er twijfel over de vraag of betrokkene recht had op bezoldiging en heeft UWV met toepassing van artikel 47a van de ZW terecht geweigerd appellant een voorschot op de ZW-uitkering te verstrekken. Met de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4929, waarvan ambtshalve kennis is genomen, is inmiddels een einde gekomen aan de ontslagprocedure. De Raad oordeelt dat dit gegeven niets afdoet aan zijn oordeel. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.