Naar boven ↑

Rechtspraak

Brief UWV is geen besluit ex artikel 1:3 lid 1 Awb; brief bevat uitsluitend een informatieve mededeling. 

Appellant komt met ingang van 1 januari 2008 in aanmerking voor een WW-uitkering. Bij brief van 10 oktober 2012 bericht UWV appellant dat zijn uitkering tot en met 14 november 2012 loopt. Appellant maakt bezwaar tegen deze brief. UWV verklaart appellant in dit verband niet-ontvankelijk, omdat volgens UWV de brief niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb kan worden aangemerkt, maar moet worden gezien als een vooraankondiging van het aflopen van de WW-uitkering van appellant. De rechtbank verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep voert appellant aan dat hij vanaf 2002 ziek is, vanaf 1 november 2007 werkloos en sinds 15 november 2012 moet leven van een kleine bijstandsuitkering, terwijl hij lijdt aan sarcoïdose, longemfyseem en astma, alle drie chronische ziektes. Appellant betoogt voorts dat de aangevallen uitspraak niet is voorzien van de handtekeningen van de rechter en de griffier en daarom geen rechtskracht heeft. Appellant voegt daaraan toe dat het aan hem verstrekte afschrift van de aangevallen uitspraak niet in overeenstemming is met artikel 21 lid 1 en 2 van de Procesregeling bestuursrecht 2013, omdat geen grosse is opgemaakt. Verder vordert appellant vergoeding van door hem geleden materiële en immateriële schade en verzoekt hij om een deskundige te benoemen om de omvang van de schade vast te stellen en om benoeming van een deskundige voor de medische zaken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 1:3 lid 1 Awb bepaalt dat onder ‘besluit’ wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip ‘rechtshandeling’ wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg. De brief van 10 oktober 2012 bevat geen schriftelijke beslissing van UWV in de hierboven omschreven zin, maar uitsluitend een informatieve mededeling aan appellant over het einde van diens WW-uitkering. De brief heeft geen wijziging teweeggebracht in de rechtsverhouding tussen appellant en UWV en is daarom niet gericht op rechtsgevolg. Het oordeel van de rechtbank over het karakter van de brief van 10 oktober 2012 wordt dan ook onderschreven. Wat appellant aanvoert met betrekking tot de ondertekening van de aangevallen uitspraak en het niet naleven van artikel 21 lid 1 en 2 van de Procesregeling bestuursrecht 2013, slaagt niet. Wat appellant verder aanvoert heeft geen betrekking op de inhoud van de aangevallen uitspraak en het daarin onderschreven standpunt van UVW over het karakter van de brief van 10 oktober 2012. Die gronden behoeven daarom geen bespreking en voor het benoemen van een medisch deskundige bestaat geen aanleiding. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Gegeven deze uitkomst is er geen grond voor een veroordeling tot schadevergoeding. Het benoemen van een financieel deskundige is dan ook niet aan de orde.