Naar boven ↑

Rechtspraak

De verzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd op welke dag de eerste arbeidsongeschiktheidsdag dient te worden vastgesteld, appellant voldoet aldus niet aan de voorwaarden voor nawerking. Omdat er geen specifieke bepalingen van overgangsrecht van toepassing zijn dient de aanvraag te worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 2011 van toepassing zijnde recht.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest voor een uitzendbureau en heeft in de loop van 2004 psychische klachten ontwikkeld. Als gevolg van een psychose is appellant in de periode 31 oktober 2004 tot 11 februari 2005 opgenomen geweest en in 2006 is de diagnose schizofrenie gesteld. Bij besluit van 11 december 2012 heeft UWV de WIA-aanvraag van appellant afgewezen. Bij besluit van 1 mei 2013 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor appellant arbitrair is vastgesteld op 1 januari 2004. Op deze datum was geen sprake van een dienstverband van appellant en evenmin ontving appellant een uitkering op grond van een werknemersverzekering, zodat appellant niet verplicht verzekerd was voor de WIA. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 maart 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:1818) het door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft verweerder gevolgd in het oordeel dat gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende duidelijk is geworden dat de arbeidsongeschiktheid van appellant is ingetreden voor de opname op 31 oktober 2004. De rechtbank oordeelde dat verweerder had moeten uitgaan van een datum na 8 augustus 2004. De rechtbank heeft het besluit van 1 mei 2013 vernietigd en UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft UWV nader onderzoek verricht naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant en deze vastgesteld op 15 oktober 2004. Bij besluit van 25 juni 2014 heeft UWV het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat de eerste arbeidsongeschiktheiddag van appellant is vastgesteld op 15 oktober 2004 en deze datum buiten de nawerking van het einde van het dienstverband van appellant valt, zodat appellant niet meer verzekerd was voor de Wet WIA en dus niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat de later ten aanzien van appellant vastgestelde diagnose schizofrenie aanleiding moet zijn om aan te nemen dat de arbeidsongeschiktheid van appellant is ingetreden binnen 4 weken na 8 augustus 2004.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht is vastgesteld op 15 oktober 2004. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de toentertijd afgelegde verklaringen door appellant, zijn vader en zijn moeder overwogen dat de arbeidsongeschiktheid 2 tot 2,5 week voor de opname is ingetreden en heeft zo voldoende gemotiveerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag dient te worden vastgesteld op 15 oktober 2004. Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor verzekering bij nawerking. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2431) volgt dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekering dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraak op verplichtingen betrekking hebben. UWV heeft dan ook de aanvraag van appellant terecht niet beoordeeld aan de hand van het sinds 1 januari 2011 gewijzigde artikel 10 lid 1 aanhef en onderdeel b Wet WIA. Het hoger beroep slaagt niet.