Rechtspraak
Appellante ontvangt sinds 24 november 2014 een WIA-uitkering, die door UWV wordt verhaald op de werkgever van appellante. Werkgever deelt op 15 september 2015 aan appellante mee dat zij UWV heeft verzocht om appellante een maatregel van 100% voor onbepaalde tijd op te leggen in verband met het niet meewerken aan de re-integratie. Bij besluit van 22 september 2015 besluit UWV de WIA-uitkering met ingang van 1 oktober 2015 niet meer aan appellante te betalen in verband met voornoemde maatregel. Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen voornoemd besluit wegens het onverschoonbaar te laat indienen van het bezwaarschrift. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. Appellante handhaaft in hoger beroep op gelijke gronden als in bezwaar en beroep het standpunt dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Zij stelt zich op het standpunt dat zij het besluit van 22 september 2015 pas in november heeft ontvangen, nadat haar man contact met UWV had opgenomen. Zij stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte betekenis hecht aan de opmerking van de medewerkster van het KCC dat appellante reeds eerder contact had gehad over de brief van 22 september 2015, zodat zij daarvan op de hoogte heeft moeten zijn. Appellante betwist dit en stelt dat zij contact met UWV heeft opgenomen omdat ze merkte dat haar uitkering was gestopt, en niet naar aanleiding van voornoemd besluit. UWV stelt zich op het standpunt dat sprake is van aanwijzingen waaruit blijkt dat appellante bekend moet zijn geweest met het besluit van 22 september 2015.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt in beginsel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Contra-indicaties kunnen echter meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in geschil dat UWV het besluit van 22 september 2015 per gewone post heeft verzonden en dat UWV van die verzending geen verzendregistratie kan overleggen. Anders dan UWV meent, is in het geval van appellante geen sprake van een contra-indicatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij het besluit van 22 september 2015 wel heeft ontvangen. Nu ervan uit wordt gegaan dat het besluit van 22 september 2015 eerst op 11 november 2015 is verzonden, is het bezwaarschrift van 17 november 2015 tegen dit besluit tijdig ingediend, zodat UWV het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd en UWV krijgt de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2015 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.