Rechtspraak
Appellant was per 15 maart 1993 werkzaam in dienst van werkgever. Vanaf 28 januari 1997 ontvangt appellant geen loon meer en hij stelt een loonvordering in bij de Kantonrechter. De Kantonrechter oordeelt bij vonnis van 8 januari 1999 de werkgever tot betaling van achterstallig loon. De werkgever is op 10 augustus 1999 in staat van faillissement verklaard en de arbeidsovereenkomst is per 21 september 1999 opgezegd door de curator. Appellant vraagt vervolgens bij UWV zowel een faillissementsuitkering aan op grond van hoofdstuk IV WW als een uitkering op grond van hoofdstuk II WW. Na een jarenlange procedure stelt UWV bij besluit van 27 maart 2012 dat UWV het door de werkgever verschuldigde loon over de periode van 12 mei 1999 tot en met 21 september 1999, een periode van 19 weken, zal overnemen. Omdat op zijn eerdere aanvraag om een uitkering ingevolge hoofdstuk II WW nog niet was beslist, vraagt appellant op 3 april 2012 opnieuw een WW-uitkering aan. Bij besluit van 11 april 2012 ontzegt UWV appellant een WW-uitkering, omdat hij deze te laat heeft aangevraagd. Bij beslissing op bezwaar van 12 september 2012 handhaaft UWV de ontzegging van de WW-uitkering, op de gewijzigde grondslag dat hij niet voldoet aan de wekeneis. Dit besluit is in stand gebleven bij de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015. Bij brief van 5 november 2013 verzoekt appellant UWV om terug te komen van het besluit van 12 september 2012 en hem alsnog in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering per 22 september 1999. Aanleiding voor het verzoek was het feit dat appellant door middel van beslag op het inkomen van de werkgever een aantal betalingen had ontvangen tot een bedrag van in totaal € 2.140. Dit bedrag staat volgens appellant gelijk aan meer dan 7 weken achterstallig loon en appellant stelt zich op het standpunt dat hij hiermee voldoet aan de referte-eis. Bij besluit van 20 november 2013 weigert UWV om terug te komen van het besluit van 12 september 2012. Volgens UWV is sprake van een nieuw feit, op grond waarvan UWV de aanvraag om een WW-uitkering opnieuw inhoudelijk heeft geoordeeld. UWV heeft het door appellant ontvangen bedrag aan achterstallig loon toegerekend aan de oudste periode waarover de werkgever loon verschuldigd was. Dit betreft de periode van 28 januari 1997 tot en met 3 april 1997. Omdat die periode valt buiten de referteperiode van 27 december 1997 tot en met 21 september 1999 voldoet appellant nog steeds niet aan de referte-eis, aldus UWV. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft de referteperiode vastgesteld op de periode van 27 december 1997 tot en met 21 september 1999. Deze referteperiode is tussen partijen niet in geschil. Ter beoordeling ligt voor of de bedragen die appellant van de werkgever heeft ontvangen ter hoogte van in totaal € 2.140 kunnen worden toegerekend aan weken die in voormelde referteperiode zijn gelegen. Tussen partijen is niet meer in geschil dat artikel 6:43 BW van toepassing is ter vaststelling van de periode waarop de betalingen van de werkgever moeten worden toegerekend. Aangezien de werkgever als schuldenaar niet heeft aangewezen op welke verbintenis de betalingen van in totaal € 2.140 zagen, is het eerste lid van artikel 6:43 BW niet van toepassing. Toepassing van artikel 6:43, tweede lid, BW betekent dat de betalingen moeten worden toegerekend op de oudste verbintenis tot betaling van loon. Gelet hierop kunnen de betalingen die appellant heeft ontvangen van de werkgever niet worden toegerekend aan de weken, die zijn gelegen in de referteperiode van 27 december 1997 tot en met 21 september 1999. Het hoger beroep slaagt niet.