Naar boven ↑

Rechtspraak

Uren waarover een WW-uitkering wordt ontvangen worden niet gelijk gesteld met arbeidsuren als bedoeld in artikel 1a WW.

Appellante werkte vanaf 12 juli 2004 bij BV 1 voor gemiddeld 15 uur per week. Daarnaast werkte zij van 5 februari 2012 tot 5 november 2013 bij BV 2 voor gemiddeld 9 uur per week. Met ingang van 5 november 2013 is appellante werkloos geworden uit haar betrekking bij BV 2. Zij is met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, gebaseerd op een urenverlies van 9 uur per week. Per 1 maart 2014 is appellante opnieuw in dienst getreden bij BV 2 voor gemiddeld 9 uur per week en de WW-uitkering is beëindigd. BV 1 is op 18 maart 2014 failliet verklaard, waarna de curator de arbeidsovereenkomst met appellante heeft opgezegd. Bij besluit van 19 mei 2014 brengt UWV appellante in aanmerking voor een WW-uitkering, gebaseerd op een verlies van arbeidsuren van 15 uur per week. Appellante is meegedeeld dat zij naast het werk waaruit zij werkloos is geworden gemiddeld 3,46 uur per week werkte bij BV 2 en dat, zolang zij in een week dit aantal uren of minder uren werkt, er geen gevolgen zijn voor de WW-uitkering. Het bezwaar en beroep van appellante worden ongegrond verklaard. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat zij door de berekeningswijze van UWV dubbel wordt getroffen doordat zij met ingang van 1 maart 2014 weer is gaan werken bij BV 2 voor 9 uur per week. Dit heeft er al toe geleid dat de WW-uitkering per 3 maart 2014 werd beëindigd, maar leidt er ook toe dat 5,54 uur per week (9 uur per week minus 3,46 uur per week) wordt gekort op de WW-uitkering uit de werkloosheid bij BV 1. Als appellante niet was gaan werken bij BV 2 had zij nu een hogere WW-uitkering gehad.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het arbeidsurenverlies is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen berekend. Dat dit niet heeft geleid tot een WW-recht van 15 uur per week, maar van 9,46 uur per week, is erin gelegen (a) dat bij de berekening van het arbeidsurenverlies rekening wordt gehouden met alle dienstverbanden in de referteperiode, (b) dat appellante bij BV 2 niet de hele referteperiode heeft gewerkt en (c) dat de uren waarover zij ter zake van de eerdere werkloosheid bij BV 1 een WW-uitkering heeft ontvangen niet als arbeidsuren worden aangemerkt of daarmee zijn gelijkgesteld. De factoren die hebben geleid tot het voor appellante berekende arbeidsurenverlies vloeien voort uit de door de wetgever gemaakte keuze om de omvang van de werkloosheid te relateren aan het gemiddeld aantal uren in de referteperiode waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen of recht op inkomen uit arbeid bestaat. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet het verbod in om wetten in formele zin, zoals in dit geval de WW, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit voorts mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie bijvoorbeeld, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest), de uitspraken van de Raad van 1 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9274, en 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3391). Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. In artikel 1 van de Gelijkstellingsregeling is een aantal situaties opgesomd waarin met een arbeidsuur als bedoeld in artikel 1a van de WW wordt gelijkgesteld een uur, gedurende de dienstbetrekking of daaruit voortvloeiend, waarover de werknemer geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. De situatie waarin een (reguliere) WW-uitkering wordt ontvangen, is hier niet genoemd. De keuze van de regelgever om uren waarover een WW-uitkering wordt ontvangen niet gelijk te stellen met arbeidsuren als bedoeld in artikel 1a van de WW, kan de – terughoudende – rechterlijke toets van materiële wetgeving (bijvoorbeeld de uitspraken van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7312 en 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1115) doorstaan. Het hoger beroep slaagt niet.