Naar boven ↑

Rechtspraak

Het verzoek tot benoeming van een deskundige op grond van het Korošec-arrest wordt afgewezen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat UWV zijn psychische beperkingen heeft onderschat.

Appellant werkt voor 35,86 uur per week bij X. Na beëindiging van zijn dienstverband heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit die situatie meldt hij zich op 18 maart 2013 ziek met fysieke en psychische klachten. Appellant ontvangt ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling vindt een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaats. Vervolgens stelt UWV bij besluit van 7 februari 2014 vast dat appellant vanaf 18 april 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing wederom naar de WSW-indicatie en de daaraan ten grondslag gelegde psychologische rapporten – zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat, dat hij niet in de ochtenduren kan werken en dat er voor hem een tijds- en tempodruk moet worden aangenomen. Appellant heeft ter zitting verzocht om een medisch deskundige in te schakelen, waarbij hij een beroep heeft gedaan, onder verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec), op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij niet de beschikking heeft over de financiële middelen om zelf een deskundige in te schakelen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226 te onderscheiden stappen. De verzekeringsartsen hebben op voldoende zorgvuldige wijze hun medisch onderzoek verricht (stap 1: zorgvuldige besluitvorming). Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het EVRM (stap 2: equality of arms), omdat het hem aan financiële middelen zou ontbreken om zelf een advies van een deskundige in te brengen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat UWV zijn psychische beperkingen heeft onderschat. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin volgens appellant alle beschikbare medische gegevens zijn overhandigd en die door de verzekeringsartsen van UWV bij hun beoordeling zijn betrokken, een medisch deskundige te benoemen. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur (stap 3: inhoudelijke beoordeling). Er is geen aanleiding voor een ander oordeel over de inschatting van de belastbaarheid van appellant door UWV dan de rechtbank heeft gegeven. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2014 blijkt dat alle, uit medisch objectief onderzoek verkregen, informatie door haar op de juiste wijze is meegewogen en dat dit bij de totstandkoming van de FML van 17 juni 2014 heeft geleid tot het aannemen van meer beperkingen in verband met voormelde klachten van appellant. Het feit dat voor appellant bij besluit van 21 november 2011 door het Uwv-Werkbedrijf een WSW-indicatie is afgegeven, vormt geen medische onderbouwing voor het standpunt dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling zijn niet dezelfde als die gelden bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Het hoger beroep slaagt niet.