Rechtspraak
Appellant vraagt op 6 maart 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet aan. Daarbij overlegt appellant een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 5 september 2011 tot 5 maart 2012. Bij besluit van 29 maart 2012 brengt UWV appellant in aanmerking voor een WW-uitkering, bij gelijkblijvende omstandigheden lopend tot en met 5 juni 2012. Op 17 april 2012 meldt appellant zich ziek. Tot en met 5 juni wordt zijn WW-uitkering doorbetaald. Daarna ontvangt appellant een uitkering op grond van de Ziektewet. Op 20 januari 2014 vraagt appellant vervolgens een uitkering op grond van de Wet WIA aan. Uit het onderzoek blijkt dat de overeenkomst tussen appellant en diens werkverschaffer een gefingeerd dienstverband betrof en dat appellant derhalve niet is aan te merken als verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Op basis van het rapport neemt UWV een drietal besluiten. UWV besluit de uitbetaalde WW-uitkering terug te vorderen, de onterecht ontvangen ZW-uitkering terug te vorderen en besluit dat met ingang van 15 april 2014 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. In hoger beroep betwist appellant zowel de zorgvuldigheid van het onderzoek als de door UWV op basis van dit onderzoek getrokken conclusies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of tussen appellant en diens werkverschaffer, zoals door hem gesteld, sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, op grond waarvan appellant verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Voorop staat dat het bij besluiten tot intrekking van een reeds verstrekte uitkering en terugvordering daarvan met terugwerkende kracht aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Het is dan ook aan UWV om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat in de relevante periode geen sprake is geweest van een dienstbetrekking van appellant met diens werkverschaffer. Indien op grond van de door UWV gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, ligt het vervolgens op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. UWV heeft de conclusie dat tussen appellant en diens werkverschaffer geen sprake is geweest van een dienstbetrekking gebaseerd op het frauderapport. De gegevens uit het frauderapport zien met name op de algemene bedrijfsvoering en de situatie bij de werkgever. Hoewel deze vragen oproepen, volgt daaruit niet zonder meer dat appellant in de hier van belang zijnde periode geen dienstverband had met diens werkverschaffer. Het niet verantwoorden van enige omzet over 2011 en het hoge loon van appellant bieden daarentegen wel voldoende steun voor het standpunt van UWV dat geen sprake is geweest van een dienstverband. Daarmee heeft UWV voldaan aan de bewijslast, zodat beoordeeld moet worden of appellant de onjuistheid van het standpunt van UWV met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt. Appellant heeft gewezen op de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst, salarisspecificaties waarop vermeld staat welke premies zijn afgedragen en bankafschriften van de rekening waarop de maandelijkse betalingen door zijn werkverschaffer zijn gestort. Verder heeft appellant ter zitting een toelichting gegeven op zijn werkzaamheden voor X. Hij heeft daarbij uitgelegd dat hij meewerkend voorman was; hij moest aan andere werknemers uitleggen hoe zij bepaalde werkzaamheden, zoals het plaatsen van glas, moesten verrichten en zaken voordoen. Hij had de daartoe benodigde kennis en ervaring omdat hij eerder in de kozijnenbouw had gewerkt, wat een verklaring vormt voor zijn relatief hoge loon. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat zijn eenmanszaak ten gevolge van de economische crisis niet goed liep en dat hij daarom bij X is gaan werken. De eenmanszaak heeft in de hier aan de orde zijnde periode geen omzet behaald, aldus appellant. UWV heeft geen (nader) onderzoek gedaan naar eventuele werkzaamheden van appellant samen met X en/of werkzaamheden op de door de eigenaar van X genoemde locaties. Mede gelet op het gegeven dat het frauderapport met name is gebaseerd op meer algemene, indirecte, aanwijzingen dat bij de werkverschaffer van appellant sprake is geweest van fictieve dienstverbanden en niet op concrete gegevens toegespitst op appellant, had dit wel voor de hand gelegen. UWV zal daartoe niet nogmaals in de gelegenheid worden gesteld. De intrekking en terugvordering van de ZW- en WW-uitkeringen kunnen geen stand houden. UWV wordt opgedragen alsnog een inhoudelijke beoordeling te geven over de WIA-aanvraag van appellant. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond en vernietigt de door UWV genomen besluiten.