Naar boven ↑

Rechtspraak

Met annotatie door mr. dr. E. van Vliet

Verminderde verwijtbaarheid vanwege samenloop van persoonlijke omstandigheden leidt tot lagere boete vanwege het schenden van de inlichtingenplicht.

Betrokkene is vanaf 15 oktober 1982 werkzaam bij de rechtsvoorganger van werkgeefster. In verband met het vervallen van haar functie zegt werkgeefster op 10 mei 2013 mondeling het ontslag van betrokkene aan. Op 16 januari 2014 vraagt betrokkene een uitkering op grond van de WW aan, waarbij betrokkene als vermoedelijk eerste werkloosheidsdag 3 februari 2014 vermeldt. Bij besluit van 10 februari 2014 brengt UWV betrokkene in aanmerking voor een WW-uitkering. Naar aanleiding van in SUWI-net opgegeven loon in de maanden februari, maart en april 2014 heeft UWV informatie opgevraagd bij de werkgeefster over het dienstverband met betrokkene. Werkgever overlegt daarbij een vaststellingsovereenkomst met als uiterlijke datum van uitdiensttreding 1 mei 2014. Voorts overlegt werkgeefster een formulier waarop staat vermeld dat betrokkene in de periode van 3 februari tot en met 30 april heeft gewerkt en loon heeft ontvangen. UVW vordert vervolgens de onterecht uitgekeerde WW-uitkering over de periode van 3 februari 2014 tot en met 30 april 2014 terug van betrokkene. Bij een tweede besluit heeft UWV een boete opgelegd van € 2.140 omdat betrokkene niet heeft doorgegeven dat zij uren doorbetaald heeft gekregen bij de werkgeefster in de hiervoor genoemde periode. Betrokkene maakt vervolgens bezwaar tegen het boetebesluit, maar UWV verklaart dat bezwaar ongegrond. UWV stelt zich daarbij op het standpunt dat sprake is van vier persoonlijke omstandigheden: een scheiding, een verhuizing, het verlies van de baan en het overlijden van een ouder, die elk op zich niet, maar in onderlinge samenhang wel tot verminderde verwijtbaarheid leiden. Deze omstandigheden leiden niet tot een situatie dat sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid. Betrokkene heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft UWV de boete verlaagd naar € 1.570. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontvallen van (proces)belang. Het beroep van betrokkene tegen de terugvordering verklaart de rechtbank gegrond. De rechtbank vernietigt het terugvorderingsbesluit, herroept het boetebesluit en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank overweegt dat op de aanvraag om de WW-uitkering met de hand is bijgeschreven: ‘SUWI-vanaf 1/5/14 geen inkomsten’ en ‘einde aok uiterlijk per 1/5/14’ en dat indien de aantekening door betrokkene is geplaatst, geen sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er volgens de afdeling handhaving van UWV geen reden was om te twijfelen aan de opgave van betrokkene dat 3 februari 2014 de eerste werkloosheidsdag was. In hoger beroep voert UWV aan dat de aantekeningen op het aanvraagformulier niet zijn geplaatst door betrokkene, maar door de afdeling handhaving.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van de WW is de werknemer verplicht aan UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. In de Beleidsregel boete werknemer 2017 heeft UWV beleid vastgelegd dat wordt gehanteerd bij de oplegging van een bestuurlijke boete als de inlichtingenplicht wordt geschonden. In casu heeft betrokkene de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. Wellicht is zij door mededelingen van haar werkgeefster in verwarring gebracht, maar voor werknemer had het duidelijk moeten zijn dat de arbeidsovereenkomst nog zou voortduren. Met UWV wordt geconcludeerd dat de aantekeningen op het aanvraagformulier voor de WW-uitkering niet van betrokkene afkomstig kunnen zijn. Ter zitting heeft betrokkene toegelicht dat zij de uitkeringsaanvraag digitaal heeft ingediend, terwijl de aantekeningen zijn gemaakt na raadpleging van SUWI-net, iets waartoe betrokkene niet bevoegd en in staat is en welke raadpleging, gelet op de aantekening, eerst kan zijn gebeurd na 1 mei 2014 omdat immers wordt geconcludeerd dat er vanaf 1 mei 2014 geen inkomsten zijn. UWV heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van betrokkene en heeft verminderde verwijtbaarheid aangenomen. UWV heeft daarbij rekening gehouden met al de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde. UWV heeft bij brief van 15 mei 2017 te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd. In zoverre heeft de rechtbank dat besluit dan ook terecht vernietigd. Uitgaande van de verminderde verwijtbaarheid en gelet op de draagkracht van betrokkene is een boete van € 783,54 passen en geboden. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover het boetebesluit van 7 mei 2015 geheel is herroepen en is bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.