Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft de WAO-uitkering van appellant terecht teruggevorderd, aangezien appellant niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan.

Appellant heeft met ingang van 14 februari 2002 een WAO-uitkering ontvangen, sinds 22 mei 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens verrichtte appellant werkzaamheden als zelfstandige. Appellant is in december 2007 verhuisd naar Duitsland. Zijn WAO-uitkering is ongewijzigd voortgezet, zo blijkt uit een besluit van UWV van 13 december 2007. In het kader van een project heeft de afdeling Specialistische Ondersteuning Interventieteam Buitenland van UWV onderzoek gedaan naar het recht op WAO-uitkering van appellant. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft UWV geconcludeerd dat appellant te veel WAO-uitkering heeft ontvangen. Bij besluit van 23 januari 2014 (besluit I) heeft UWV appellant ongewijzigd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%, maar tevens bepaald dat hij vanaf 1 januari 2007 geen WAO-uitkering wordt betaald omdat hij op basis van zijn inkomsten minder dan 15% minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij dat besluit heeft UWV tevens de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 januari 2014 van € 31.225,68 bruto van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 25 januari 2014 (besluit II) heeft UWV appellant een boete opgelegd van € 17.251,69 omdat appellant niet aan UWV heeft doorgegeven dat hij vanaf 2007 inkomsten als zelfstandige had. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten I en II. Bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2014 (bestreden besluit) heeft UWV die bezwaren in zoverre gegrond verklaard dat UWV heeft erkend dat appellant in 2007 inderdaad inkomsten aan UWV heeft doorgegeven via de zogenoemde werkbriefjes WW. Over het jaar 2007 is wegens verjaring ten onrechte teruggevorderd. De terugvordering is daarom door UWV nader vastgesteld op € 21.230,47 bruto. Vanaf 2008 treft het beroep op verjaring geen doel. Appellant heeft namelijk vanaf 2008 geen wijzigingen in inkomsten doorgegeven. Daarom heeft hij de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 80 van de WAO, overtreden. Ten aanzien van de boete heeft UWV gesteld dat appellant UWV vanaf januari 2008 niet heeft ingelicht over de hoogte van zijn inkomen. Het gaat daarbij om feiten en omstandigheden waarvan het appellant, gelet op het karakter van de uitkering, redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op diens recht op uitkering. Mede gelet op het feit dat de inkomsten van appellant ieder jaar zijn gewijzigd en dat in 2010 zelfs een verdubbeling van het jaarinkomen heeft plaatsgevonden, had het voor appellant duidelijk moeten zijn dat hij UWV op de hoogte had moeten brengen van die wijzigingen. Van een dringende reden om af te zien van de terugvordering of de boete was volgens UWV geen sprake. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hangende het beroep heeft UWV bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2015, in verband met het aanbrengen van een splitsing van de overtreding voor en na 1 januari 2013, de hoogte van de boete herzien en deze gesteld op € 3.396,66. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover het zich richtte tegen de niet-betaling van de WAO-uitkering en de terugvordering, ongegrond verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat zich richtte tegen de boete van € 17.251,69 heeft de rechtbank gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Het beroep voor zover dat zich richtte tegen het besluit van 3 maart 2015 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Anders dan de rechtbank heeft verondersteld, is in deze zaak geen sprake van een herziening van een WAO-uitkering, maar gaat het om de toepassing van de anticumulatie van inkomsten op grond van artikel 44 van de WAO. Indien is voldaan aan de in artikel 44 van de WAO gestelde voorwaarden, is UWV gehouden toepassing aan dat artikel te geven. In de regel zal daarbij sprake zijn van anticumulatie met terugwerkende kracht. UWV heeft daarbij bezien of het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij – in ieder geval – jaarlijks zijn inkomsten bij UWV moest melden. Dit is appellant toegelicht in het besluit van UWV van 13 december 2007, naar aanleiding van een verzoek van appellant om informatie in verband met zijn aanstaande verhuizing naar Duitsland. In een brief van UWV van 14 februari 2008, nadat appellant was verhuisd, is nogmaals vermeld dat appellant veranderingen in zijn inkomen direct schriftelijk aan UWV moet doorgeven. Na 2007 heeft appellant bij UWV niettemin geen melding meer gedaan van zijn inkomsten hoewel deze ieder jaar varieerden en vanaf 2010 in aanzienlijke mate in omvang waren gewijzigd. UWV heeft terecht de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering vanaf 2008 teruggevorderd. Van dringende redenen waarom UWV zou moeten afzien van terugvordering is niet gebleken, mede gelet op het feit dat appellant in staat is geweest het onverschuldigde terug te betalen. Gelet op het voorgaande heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden door bij UWV geen melding te doen van de door hem verworven inkomsten als zelfstandige. Ter zitting heeft appellant herhaald dat hij volledig te goeder trouw is geweest en dat de telefonische contacten met UWV bij hem een verkeerde indruk hebben gewekt. Anders dan appellant veronderstelt, wordt er niet van uitgegaan dat hij de bedoeling heeft gehad om informatie achter te houden. Van opzet of grove schuld is dan ook geen sprake. Er is echter ook geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, zodat UWV bij de oplegging van de boete terecht is uitgegaan van volledige verwijtbaarheid. Nu appellant de boete reeds volledig heeft betaald, is er geen aanleiding om deze te matigen met het oog op de draagkracht. De boete van € 3.396,66 is evenredig. Het hoger beroep slaagt niet.