Rechtspraak
Appellant is via een uitzendbureau werkzaam als productiemedewerker gedurende gemiddeld 44,08 uur per week. Op 4 juni 2013 meldt hij zich ziek. Daarop wordt hem een ZW-uitkering toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling besluit UWV dat appellant per 29 juni 2014 geen recht meer op zijn ZW-uitkering heeft, omdat hij meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen. UWV verklaart het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond (bestreden besluit). Hieraan legt UWV rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ten grondslag. Appellant gaat in beroep. Daar voert hij aan dat het verschil in behandeling in de ZW tussen vangnetters en niet-vangnetters in strijd is met het discriminatieverbod. De rechtbank verwerpt dit beroep. Toch vernietigt de rechtbank het bestreden besluit omdat UWV de onderbouwing van het bestreden besluit in de beroepsfase substantieel heeft gewijzigd. Echter, de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Appellant gaat vervolgens in hoger beroep. Hij voert aan dat UWV zijn arbeidsbeperkingen heeft onderschat. Hij verwijst daarbij naar door hem eerder overgelegde stukken van zijn behandeld artsen. Hij verzoekt de Raad een deskundige aan te wijzen en doet daarbij een beroep op het arrest Korošec. Tevens voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte zijn stelling heeft verworpen dat het bepaalde in de artikelen 19aa en 19ab ZW in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van artikel 19aa en 19ab ZW wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de uitvoeringssystematiek van de Wet WIA. In de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad drie stappen uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van UWV. Ten eerste moet sprake zijn geweest van een zorgvuldige besluitvorming. Daarvan is in de onderhavige casus sprake: appellant is gezien en onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts, informatie van de behandelend sector is daarbij betrokken en er is gereageerd op wat door appellant in de procedures is aangevoerd. Ten tweede moet sprake zijn van equality of arms. Ook daaraan is voldaan: appellant heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om zijn standpunten te onderbouwen met medische informatie van zijn behandelaars. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt. De derde stap betreft een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. In zijn rapport heeft de verzekeringsarts overtuigend verantwoord dat op basis van de op dat moment bekende resultaten van de verrichte onderzoeken en van de informatie van de behandelend artsen van appellant geen aanleiding bestaat om nog meer beperkingen van appellant op nemen. Daarbij heeft de verzekeringsarts gereageerd op de door appellant overgelegde informatie en heeft hij zijn standpunt overtuigend onderbouwd. Hiermee is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat voor het opnemen van nog meer beperkingen van appellant geen reden is. Hieruit volgt tevens dat de Raad geen aanleiding zit een deskundige aan te wijzen. Ten aanzien van de ongelijke behandeling merkt de Raad op dat geen sprake is van gelijke gevallen omdat, nog daargelaten dat niet alleen voormalige uitzendkrachten onder de categorie ‘vangnetters’ vallen, vangnetters zich in een andere situatie bevinden dan zieken met een arbeidsovereenkomst, zodat geen sprake is van gelijke gevallen. De Raad bevestigt dan ook de aangevallen uitspraak.