Rechtspraak
Vooropstaat dat de terugvordering van 26.046,54 euro in het kader van de Werkloosheidswet en 34.675,48 euro in het kader van de Ziektewet in rechte onaantastbaar is geworden. UWV stelt de aflossingscapaciteit van appellant bij besluit van 8 oktober 2014 vast op 1.264,80 euro per maand (besluit 1). Appellant maakt bezwaar tegen dit besluit. Bij besluit van 14 oktober 2014 stelt UWV, bij wijze van uitzondering, appellants aflossingscapaciteit in de periode november 2014 tot en met april 2015 vast op 912,58 euro per maand en vanaf 1 mei 2015 weer op 1.264,80 euro per maand (besluit 2). Appellant maakt ook tegen dit besluit bezwaar, omdat hij vindt dat de aflossingscapaciteit nog steeds te hoog is. UWV verklaart het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond. Appellant stelt daarop beroep in tegen besluit 1 en tegen besluit 2. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk vanwege gebrek aan belang en verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond omdat de rechtbank het standpunt van appellant, dat UWV bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de andere schulden die appellant nog moet aflossen, niet volgt. UWV heeft die schulden naar het oordeel van de rechtbank terecht buiten beschouwing gelaten, omdat die schulden concurrente schulden zijn en de schuld van appellant aan UWV een preferente schuld. Er is, nog steeds volgens de rechtbank, geen sprake van een onredelijke uitkomst in het specifieke geval van appellant, nu UWV een beslagvrije voet heeft gehanteerd van 95 procent in plaats van 90 procent. Appellant gaat hierop in hoger beroep. Hij stelt dat hij het door UWV berekende maandelijkse bedrag onmogelijk kan betalen. Hierbij wijst hij op een actuele opgave van zijn vaste lasten. Bij zijn eerdere opgave aan UWV heeft hij enkele kosten (zoals kosten voor voeding, kleding, opticien en tandarts) niet vermeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2. In geschil is de vraag of UWV de aflossingscapaciteit juist heeft vastgesteld. Ingevolge de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betaling (de Regeling) wordt onder aflossingscapaciteit verstaan: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e Rv, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad toe dat UWV de aflossingscapaciteit conform de regeling en met toepassing van de artikelen 475c tot en met 475e Rv heeft vastgesteld. UWV heeft daarbij ook ten gunste van appellant rekening gehouden met een beslagvrije voet van 95 procent en de beslagvrije voet verhoogd met de premie voor een ziektekostenverzekering en met een bedrag aan woonlasten. Dat appellant eerdere kosten niet heeft vermeld voor onder andere voeding, kleding, opticien en tandarts kan niet tot het oordeel leiden dat de aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld. Deze kosten behoren immers tot de normale bestaanskosten waarmee bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening wordt gehouden, omdat ter voldoening hiervan de beslagvrije voet is vastgesteld. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank.