Naar boven ↑

Rechtspraak

Appellante heeft zich bij de re-integratie-inspanningen gebaseerd op een onjuiste inschatting van de bedrijfsarts, maar blijft zelf verantwoordelijk voor de re-integratie en de kwaliteit van de door haar ingeschakelde deskundigen.

Werkneemster is vanaf 2005 fulltime in dienst bij appellante. Zij valt op 3 oktober 2012 uit wegens klachten van het bewegingsapparaat. Vanaf januari/februari 2013 hervat werkneemster voor twee keer drie uur per week haar werkzaamheden. In de loop van mei 2013 wordt dit uitgebreid tot twee keer vier uur per week. Verdere uitbreiding vindt niet plaats. Op 3 juli 2014 vraagt werkneemster een WIA-uitkering aan. De verzekeringsarts van UWV die het re-integratieverslag beoordeelt, is van mening dat werkneemster benutbare mogelijkheden heeft en geschikt is voor fysiek licht en niet stresserende werkzaamheden. Zij had in meer uren hervat moeten zijn dan de gewerkte acht uur per week. De verzekeringsarts is voorts ven mening dat de Functionele Mogelijkhedenlijst met inachtneming van de urenbeperking tot maximaal tien uur per week niet plausibel is omdat geen sprake is van objectiveerbare medische aandoeningen. De arbeidsdeskundige van UWV concludeert dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Bij besluit van 4 september 2014 beslist UWV dat appellante het loon van werkneemster moet doorbetalen tot 30 september 2015. Zowel appellante als werkneemster maakt tegen dit besluit bezwaar. Appellante voert daarbij aan dat zij voldoende heeft gedaan om werkneemster te re-integreren; werkneemster draagt informatie aan van haar medisch specialisten waarin is vermeld dat zij lijdt aan een chronisch pijnsyndroom. Bij besluit van 21 januari 2015 (bestreden besluit) verklaart UWV de bezwaren ongegrond. Appellante en werkneemster stellen daarop beroep in tegen het bestreden besluit. Dit wordt vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Appellante heeft haar inspanningen gebaseerd op een onjuiste inschatting van de bedrijfsarts, maar is zelf verantwoordelijk voor het nakomen van de re-integratieverplichtingen en voor de kwaliteit van de geleverde diensten door de door haar ingeschakelde deskundigen. Appellante en werkneemster gaan in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV bepaalt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Als blijkt dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht, verlengt UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens de werkgever recht heeft op loon, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen kan herstellen. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter heeft UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beantwoording van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de verrichte re-integratie-inspanningen. Het bereiken van een bevredigend resultaat staat daarbij voorop. Daarvan is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van werknemer. In casu is het bevredigend resultaat niet bereikt. Er is geen aanknopingspunt te vinden voor de door de bedrijfsarts gehanteerde vergaande arbeidsbeperking. Er heeft geen uitbreiding van de gewerkte uren tot meer dan acht uur per week plaatsgevonden. Van een deugdelijke grond daarvoor is niet gebleken. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie en dat hij ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.