Naar boven ↑

Rechtspraak

Zieke werknemer heeft recht op volledige uitbetaling vakantie-uren na overname betalingsverplichtingen door UWV (faillissementsuitkering); WAO-uitkering mag hier niet op in mindering worden gebracht.

Appellant ontvangt sinds 27 mei 2002 een WAO-uitkering. In januari 2007 treedt appellant in dienst bij werkgever. Op 23 januari 2012 meldt appellant zich ziek met dezelfde klachten als waarvoor hij de WAO-uitkering ontvangt. Werkgever betaalt appellant in het eerste ziektejaar 100% van het overeengekomen loon uit en in het tweede ziektejaar 70% van het overeengekomen loon. Op dit loon heeft werkgever steeds de WAO-uitkering van appellant in mindering gebracht. UWV betaalde de WAO-uitkering tot 1 juni 2013 steeds aan werkgever uit. Nadat werkgever in betalingsonmacht kwam te verkeren, betaalde UWV de WAO-uitkering rechtstreeks aan appellant uit. Op 21 mei 2013 wordt werkgever failliet verklaard. Bij brief van 23 mei 2013 zegt de curator de arbeidsovereenkomst van appellant op per 5 juli 2013. Op 31 mei 2013 verzoekt appellant UWV om overname van de betalingsverplichtingen van werkgever op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (de faillissementsuitkering). Bij besluit van 14 augustus 2013 brengt UWV appellant in aanmerking voor deze faillissementsuitkering. De niet door appellant opgenomen vakantie-uren (200) en kortverzuim-uren (9,25) over de periode van 5 juli 2012 tot en met 4 juli 2013 zijn vergoed tot een bedrag van € 838,15 respectievelijk € 38,76. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het geschil tussen partijen gaat over de omvang van de faillissementsuitkering van appellant. Niet in geschil is dat UWV op grond van artikel 64 lid 1 sub c WW gehouden is om de verplichting van werkgever om aan appellant 200 niet genoten vakantie-uren en de 9,25 kortverzuim-uren uit te betalen, over te nemen. In hoger beroep is enkel nog aan de orde de vraag of UWV deze betalingsverplichtingen tegen het juiste bedrag heeft overgenomen. De door UWV over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat werkgever en werknemer in hun rechtsverhouding zijn overeengekomen of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. De Raad stelt vast dat werkgever gehouden was om de vakantie-uren en kortverzuim-uren bij het einde dienstverband op grond van artikel 7:641 lid 1 BW uit te betalen naar het normale tussen appellant en werkgever overeengekomen loon, dus naar 100% van dit loon. Dit betekent dat ook UWV bij de overname van de vakantie-uren en kortverzuim-uren van 100% van het loon had moeten uitgaan en dus ten onrechte is uitgegaan van een uurloon gebaseerd op 70% van het loon. De omstandigheid dat appellant naast zijn WAO-uitkering deze uren volledig uitbetaald krijgt, maakt dit oordeel niet anders. Ook een zieke werknemer zal immers, eenmaal weer arbeidsgeschikt, in de gelegenheid moeten zijn om bij een nieuwe werkgever zoveel dagen verlof zonder behoud van loon op te nemen als waarover de uitkering als bedoeld in artikel 7:641 lid 1 BW is berekend. Het hoger beroep slaagt. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover vereist en voorziet zelf in de zaak.