Rechtspraak
Appellante is sinds 1 juli 2014 werkzaam bij werkgever 1. Daarnaast is zij van 5 januari 2015 tot 1 augustus 2015 op basis van een tijdelijke aanstelling werkzaam bij werkgever 2. Op 28 juni 2015 vraagt zij een WW-uitkering aan. UWV brengt haar daarop in aanmerking voor die uitkering per 3 augustus 2015. Het dagloon wordt daarbij vastgesteld op 114,60 euro. Appellante gaat hierop in bezwaar. Bij beslissing op bezwaar wordt het dagloon vastgesteld op 115,27 euro, omdat de werkgevers van appellante het loon hadden gecorrigeerd (bestreden besluit). De rechtbank verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond omdat door uit te gaan van het laatstgenoten loon in de referteperiode en dat in alle gevallen te delen door 261 dagen, noch inbreuk wordt gemaakt op de verzekeringsgedachte van de WW, noch op het principe van artikel 1b WW. De tot 1 juli 2015 voor een geval als dat van appellante geldende berekening was een uitzondering op de in artikel 1b WW geformuleerde hoofdregel. Die uitzondering komt niet terug in het Dagloonbesluit 2015. Daarmee valt appellante terug op de in de WW opgenomen grondslag van de dagloonregels, te weten het historisch dagloonbeginsel, met als hoofdregel dat het loon in de referteperiode moet worden gedeeld door 261. De wetgever heeft daarbij onderkend dat de gevolgen van die dagloonberekening als in de situatie van appellante nadelig kunnen zijn. Dit biedt naar het oordeel van de rechtbank echter niet de mogelijkheid om een ander dagloon vast te stellen. In hoger beroep voert appellante aan dat zij als flexwerker naast haar vaste dienstverband wordt benadeeld en dat op onaanvaardbare wijze inbreuk wordt gemaakt op de verzekeringsgedachte van de WW.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid volledig. In het Besluit dagloonregels was, om ongewenste effecten te voorkomen, in een – limitatief – aantal gevallen rekening gehouden met omstandigheden waarin de werknemer zich in de referteperiode bevond en die een negatieve invloed uitoefenden op de hoogte van het dagloon. Een van die situaties was het starten of (her)intreden als werknemer tijdens de referteperiode. Het ging dan om uitzonderingen die restrictief werden uitgelegd. Voor de situatie waarin appellante verkeert, is ook in het Dagloonbesluit 2015 geen uitzondering gemaakt op de hoofdregel van berekening. Appellante is ook niet aan te merken als starter of (her)intreder. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1474) treft geen doel. In die uitspraak is geoordeeld dat de besluitgever in redelijkheid niet tot vaststelling van artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 heeft kunnen komen, voor zover – kort gezegd – daarin geen regeling is opgenomen die rekening houdt met de belangen van een nader omschreven groep werknemers die niet het gehele refertejaar heeft gewerkt. Voor deze gevallen diende UWV genoemd artikellid buiten toepassing te laten. Appellante heeft gedurende de gehele referteperiode loon genoten en er is dus geen sprake van tijdvakken waarin zij in het geheel geen loon heeft genoten. Haar beroep op deze uitspraak slaagt dan ook niet. UWV heeft daarom terecht het door appellante gedurende zeven maanden bij werkgever 2 genoten loon gedeeld door 261. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.